Archives for mei 2017

Voordeel van alle aard van de woning van dag tot dag berekend

De administratie heeft haar regels gewijzigd voor de berekening van de waarde van het voordeel wanneer een werknemer of bedrijfsleider gratis een onroerend goed ter beschikking krijgt, maar slechts voor een gedeelte van het jaar over het goed beschikt. Het bedrag van het voordeel mag dan in verhouding tot het gebruik worden verminderd. Dat wordt vanaf nu niet meer per maand berekend, maar van dag tot dag.

Gratis woning ter beschikking = voordeel van alle aard

Wanneer een werknemer of bedrijfsleider van zijn werkgever/vennootschap een woning ter beschikking krijgt, krijgt hij daarmee een voordeel van alle aard. Dat voordeel is uiteraard belastbaar.

Als de werknemer slechts een deel van het jaar over de woning beschikt

Als de werknemer of bedrijfsleider niet gedurende het hele jaar over de woning kan beschikken, heeft dat uiteraard invloed op de waarde van het voordeel. De waarde van het voordeel wordt aangepast in verhouding tot de tijd dat de betrokkene het goed werkelijk ter beschikking had = pro rata.

Van dag tot dag berekend

In haar circulaire van 19 december 2016 heeft de administratie besloten de pro rata van dag tot dag te berekenen.

Voorbeeld
Jan is zaakvoerder van zijn eigen bvba. Vanaf 4 juni 2017 krijgt hij van zijn vennootschap gratis beschikking over een woning. Het voordeel van alle aard voor deze woning bedraagt 1.500 EUR voor wie er het hele jaar over beschikt. Jan beschikt echter slechts over een gedeelte van 2017 over de woning: van 4 juni tot 31 december = 211 dagen.
Het voordeel voor 2017 wordt dan: 1.500 × 211/365 = 867,12 EUR.
Stel dat Jan pas vanaf 19 juni 2017 over de woning zou kunnen beschikken. Dan heeft hij de woning 196 dagen ter beschikking in 2017 en wordt het voordeel: 1.500 × 196/365 = 805,47 EUR
.

Verschil met vroeger

Tot eind 2016 werd het pro rata berekend in functie van het aantal maanden van het gebruik. Wanneer de belastingplichtige de zestiende van de maand de beschikking had over de woning, werd die maand meegeteld, anders niet.
Als we teruggrijpen naar het voorbeeld, zien we hoe de oude berekeningswijze verschilt van de nieuwe.

Voorbeeld
Als Jan vanaf 4 juni 2017 de woning ter beschikking heeft:  op de zestiende van de maand beschikt hij over de woning dus de maand juni wordt meegeteld. Het voordeel bedraagt 7/12 van 1.500 = 875 EUR.
Als  Jan pas vanaf 19 juni 2017 over de woning zou kunnen beschikken. Dan heeft hij de woning niet ter beschikking op de zestiende van de maand en wordt juni niet meegeteld. Het voordeel bedraagt 6/12 van 1.500 = 750 EUR.

Als de werknemer/bedrijfsleider voor de zestiende van de maand de woning ter beschikking krijgt, doet hij een klein voordeel met de nieuwe berekeningswijze.

Als de werknemer/bedrijfsleider pas na de zestiende van de maand de woning ter beschikking krijgt, doet hij een nadeel met de nieuwe berekeningswijze.

Vanaf wanneer?

De belastingplichtige kan ervoor kiezen de nieuwe berekeningswijze al toe te passen voor de aanslagjaren 2015 tot 2017.

Read more

Nieuwigheden in de aangifte PB voor 2017

Het is weer aangifteseizoen. Ook dit jaar is de aangifte in de personenbelasting weer een pak uitgebreider en complexer geworden. Dat ligt, hoe kan het ook anders, vooral aan de steeds complexer wordende woonfiscaliteit. De wijzigingen in Vlaanderen en Wallonië voor leningen aangegaan vanaf 1 januari 2016 laten zich nu voelen in de aangifte. Met deze bijdrage proberen we u door de aangifte te loodsen.

Woonfiscaliteit

Zowel in het Vlaams Gewest als in het Waals Gewest gelden er nieuwe regels voor leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016:

  • in Vlaanderen werd de geïntegreerde Vlaamse woonbonus ingevoerd;
  • in Wallonië geldt vanaf dit aanslagjaar de cheque habitat.

Deze wijzigingen vinden natuurlijk hun weerslag in de aangifte. Omdat het gaat om gewestelijke maatregelen zijn ze enkel van toepassing voor de ‘eigen woning’, dat is de woning die u zelf betrekt.

Vak IX van de aangifte was al opgedeeld in rubriek B voor de ‘eigen woning’ (voor de gewestelijke ‘woonbonus’) en een rubriek C voor de ‘niet-eigen woning’ (voor het federale belastingvoordeel).

Onder rubriek B vindt u nu de subrubrieken:

  • B1: voor de geïntegreerde Vlaamse woonbonus – leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016
  • B2: voor de Waalse cheque habitat – leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016
  • B3: de vroegere gewestelijke woonbonus voor leningen gesloten voor 1 januari 2016 en dit jaar ook nog de Brusselse woonbonus (let op die wordt afgeschaft voor leningen afgesloten vanaf 1 januari 2017)
  • B4: andere interesten dan in B1, B2 of B3, die ook recht geven op een gewestelijke belastingvermindering
  • B5: vermindering voor bouwsparen en langetermijnsparen
  • B6: premies van individuele levensverzekeringen

Voor rubriek C, de federale regeling voor wie een lening heeft lopen voor een niet-eigen woning, verandert er dit jaar niets.

De aangifte van uw lening zelf doen, wordt dus niet makkelijk. Als u vragen heeft, kan u best de hulp van een boekhouder inroepen. Uw bank zal wel de gegevens van uw lening (via een hypotheekattest) automatisch aan de fiscus bezorgen, maar waarschijnlijk zullen de juiste codes toch nog niet vooraf ingevuld worden in Tax-on-web.

Roerende inkomsten

Voor dividenden en interesten toegekend vanaf 1 januari 2017 is het standaardtarief van de roerende voorheffing gestegen tot 30 %. Helaas blijven er nog heel wat uitzonderingen bestaan. Daarmee kan het tarief variëren van 5 % over 10 %, 15 %, en 17 % tot 20 %. Al die verschillende tarieven hebben ook invloed op de aangifte, met name voor de Vakken VII ‘Roerende inkomsten’ en XVI ‘Diverse inkomsten van roerende aard’.

Andere nieuwigheden

Andere nieuwigheden in de aangifte zijn:

  • Overuren in de horeca: vak IV, rubriek A12 – deze codes worden automatisch ingevuld in tax-on-web.
  • SWT (werkloosheid met bedrijfstoeslag) en belastingvrije swt-toeslagen. De belastingvrije toeslagen moeten uiteraard niet worden aangeven, maar om de verschillende soorten toeslagen te identificeren en zo de vermindering correct te berekenen, werden er 10 nieuwe codes toegevoegd in vak IV van de aangifte (rubrieken D1a1 en E2a2). Ook deze codes worden, indien van toepassing, al automatisch ingevuld in de aangifte via tax-on-web.
  • De Vlaamse Winwinlening krijgt een tegenhanger in het Waals Gewest, de Coup de Pouce. Aan te geven in Vak XI.

Deadlines

De deadlines zijn:

  • aangifte op papier: 29 juni 2017;
  • aangifte via Tax-on-web: 13 juli 2017;
  • aangifte via mandataris: 26 oktober 2017.

Read more

Geïndexeerde bedragen personenbelasting aanslagjaar 2018

Hieronder geven wij u een overzicht van de belangrijkste geïndexeerde bedragen in de personenbelasting. In dit overzicht staan enkel de federale bedragen. Belastingverminderingen en dergelijke waarvan het bedrag door de gewesten wordt bepaald (bv. dienstencheques) werden niet opgenomen.

Hieronder de bedragen voor aanslagjaar 2018, dat zijn uw inkomsten van dit jaar (2017). Achter ieder bedrag vindt u tussen haakjes het geïndexeerde bedrag voor aanslagjaar 2017 (dat zijn de bedragen die u in juni nodig heeft voor uw aangifte met uw inkomsten uit 2016).

Belastingvrije som en gezinssituatie

Belastingvrije som en verhoogde belastingvrije som

Belastingvrije som: 7.270 EUR (7.130 EUR)

Verhoogde belasting vrije som voor personen met beperkt inkomen: 7.570 EUR (7.420 EUR)

Grensbedrag om recht te hebben op hogere belastingvrije som: 27.030 EUR (26.510 EUR)

Verhoging belasting vrije som voor gehandicapte belastingplichtige: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Personen ten laste

Verhoging belastingvrije som voor personen ten laste

  • één kind: 1.550 EUR (1.520 EUR)
  • twee kinderen: 3.980 EUR (3.900 EUR)
  • drie kinderen: 8.920 EUR (8.740 EUR)
  • vier kinderen: 14.420 EUR (14.140 EUR)
  • meer dan vier kinderen (supplement per kind): 5.510 EUR (5.400 EUR)

Bijkomende toeslag voor kinderen onder de drie jaar (waarvoor geen uitgaven voor kinderoppas worden afgetrokken): 580 EUR (570 EUR)

Voor andere personen ten laste die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt: 3.090 EUR (3.030 EUR) (hier moet het gaan om ascendenten (ouders en grootouders) of broer/zus)

Voor iedere andere persoon ten laste: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Verhoging belastingvrije som alleenstaande met kinderen ten laste: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Maximumbedrag eigen nettobestaansmiddelen (kind ten laste): 3.200 EUR (3.140 EUR)

Verhoogd bedrag voor kind van alleenstaande: 4.620 EUR (4.530 EUR)

Verhoogd bedrag voor gehandicapt kind van alleenstaande: 5.860 EUR (5.750 EUR)

Onderhoudsgeld dat niet meetelt als bestaansmiddel: 3.200 EUR (3.140 EUR)

Bezoldiging studentenjob die niet meetelt als bestaansmiddel: 2.660 EUR (2.610 EUR)

Huwelijksquotiënt en meewerkende echtgenoot

Huwelijksquotiënt: 10.490 EUR (10.290 EUR)

Maximaal inkomen meewerkende echtgenoot uit eigen beroepsactiviteit: 13.620 EUR (13.360 EUR)

Beroepsinkomsten en roerende inkomsten

Vrijgesteld bedrag PC privé: 860 EUR (840 EUR)
Grensbedrag bruto belastbare bezoldiging om aan ‘plan’ te kunnen deelnemen: 33.820 EUR (33.170 EUR)

Vrijgesteld bedrag van de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling: 390 EUR (380 EUR)

Minimum voordeel van alle aard voor privégebruik bedrijfswagen: 1.280 EUR (1.260 EUR)
Maximumbedrag auteursrechten die als roerende inkomsten worden aangemerkt: 58.720 EUR (57.790 EUR)

Maximumbedrag forfaitaire beroepskosten

Werknemers: 4.320 EUR (4.240 EUR)

Zelfstandigen en meewerkende echtgenote: 4.060 EUR (3.980 EUR)

Bedrijfsleiders: 2.440 EUR (2.390 EUR)

Belastingschijven

  • 25 % op de schijf tot 11.070 EUR (10.860 EUR)
  • 30 % op de schijf tot 12.720 EUR (12.470 EUR)
  • 40 % op de schijf tot 21.190 EUR (20.780 EUR)
  • 45 % op de schijf tot 38.830 EUR (38.080 EUR)
  • 50 % op de schijf boven 38.830 EUR (38.080 EUR)

Bedragen die dit jaar niet geïndexeerd worden

De bedragen van enkele (vooral) belastingverminderingen worden tot en met dit aanslagjaar niet geïndexeerd. Deze bedragen blijven behouden op het bedrag zoals het gold voor aanslagjaar 2014 (uw inkomsten uit 2013!).

Woonbonus (federaal)

Maximumbedrag kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies (samen): 2.260 EUR

Verhoogd basisbedrag tijdens de eerste tien jaar: 750 EUR

Bijkomende verhoging tijdens eerste tien jaar als drie kinderen ten laste: 80 EUR

Aftrekbare giften

Minimumbedrag: 40 EUR

Sparen

Maximumbedrag pensioensparen: 940 EUR

Vrijgestelde inkomsten uit spaardeposito’s: 1.880 EUR

Maximumbedrag werkgeversaandelen: 750 EUR

Read more

Nieuw sociaal en fiscaal statuut voor de student-ondernemer

Sinds begin dit jaar kunnen studenten die een zelfstandige activiteit uitoefenen, een eigen statuut van student-zelfstandige aanvragen. De student-ondernemer geniet dan van een voordelige bijdrageregeling en van een eigen fiscaal statuut. Met een beperkt inkomen als zelfstandige, blijft de jonge ondernemer ten laste van zijn ouders.

Om het ondernemerschap voor studenten aantrekkelijker te maken, heeft de regering een nieuw sociaal en fiscaal statuut voor de student-zelfstandige ingevoerd.

De student-zelfstandige moet minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar zijn. Hij/zij moet voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak in een Belgische of een buitenlandse onderwijsinstelling zijn ingeschreven en regelmatig lessen volgen in een onderwijsinstelling met het oog op het behalen van een diploma dat door een bevoegde overheid in België wordt erkend. Door de beroepsbezigheid is hij/zij aan het sociaal statuut der zelfstandigen onderworpen. De jonge ondernemer moet de toepassing van de specifieke regeling uitdrukkelijk aanvragen.

De aanvraag tot onderwerping in de hoedanigheid van student-zelfstandige wordt schriftelijk of elektronisch ingediend bij het sociaal verzekeringsfonds waarbij de aanvrager is aangesloten. Zodra het sociaal verzekeringsfonds beschikt over de aanvraag, het attest van inschrijving en de verklaring van de betrokkene, controleert het voor elk school- of academiejaar de voorwaarden van onderwerping.

Nieuwe specifieke bijdrageregeling

Voor studenten die inkomsten hebben die lager zijn dan de drempel voor de zelfstandigen in hoofdberoep, geldt een gunstige regeling van bijdragen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

De studenten-zelfstandigen zijn op het deel van hun inkomen dat niet de helft van het minimuminkomen bedraagt op basis waarvan de zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen betalen (voor 2017: 13.296,25/2 = 6.648,13 euro) geen enkele bijdrage verschuldigd.

Als hun inkomen die helft wel bereikt, maar lager is dan het bedrag van het minimuminkomen (voor 2017: 13.296,25 euro), betalen de studenten-zelfstandigen een verminderde bijdrage van 21% (20,50% in 2018). De bijdrage wordt berekend op het gedeelte van het inkomen dat de helft van dit minimuminkomen overschrijdt.

De student-zelfstandige die een bijdrage is verschuldigd, is enkel onderworpen aan de regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Studenten-zelfstandigen die geen bijdragen betalen, blijven in principe rechthebbenden op geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als persoon ten laste. Maar de tijdvakken waarin wordt bijgedragen als student-zelfstandige tellen wel mee voor het vervullen van de wachttijd in het kader van de uitkerings- en moederschapsverzekering voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.

Zelfde fiscale regeling als voor jobstudenten

Het fiscaal statuut van de student-zelfstandige komt erop neer dat een eerste schijf van zijn inkomsten niet in aanmerking als bestaansmiddel (inkomen) wordt genomen (2.610 euro voor inkomstenjaar 2016). Een vergelijkbare regeling bestaat al voor de inkomsten van jobstudenten (loontrekkenden). Een student die een beperkt inkomen verwerft als zelfstandige, zal zo minder snel niet meer ten laste van zijn ouders zijn.

De bepalingen inzake het fiscaal statuut van de student-zelfstandige zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2018 voor de inkomsten van 2017.

 

Read more

Over bedrijfswagens en tankkaarten: nieuwe regels zullen vennootschappen geld kosten

Vennootschappen die hun personeel een bedrijfswagen ter beschikking stellen, moesten tot vorig jaar 17 % van het bedrag opnemen in hun verworpen uitgaven. Vanaf 2017 zal er 40 % van het bedrag in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen, als de vennootschap de brandstofkosten geheel of gedeeltelijk ten laste neemt, bv. als de werknemer/bedrijfsleider een wagen met tankkaart krijgt. Deze nieuwe regel werd ingevoerd door de programmawet van 25 december 2016.

Bedrijfswagen als voordeel van alle aard

Werknemers en bedrijfsleiders die een bedrijfswagen krijgen, verwerven daarmee een belastbaar voordeel van alle aard. De waarde van dit voordeel wordt berekend volgens een specifieke formule: cataloguswaarde × ouderdomscorrectie × CO2 percentage × 6/7. Als de werknemer er een tankkaart bijkrijgt, verandert dat niets. Het voordeel van de tankkaart zit al begrepen in het voordeel van de wagen in zijn geheel.

Voor de werkgever is er echter een impact: die moet 17 % van het voordeel van alle aard voor de wagen als verworpen uitgaven opnemen.

Vanaf 2017: 40 % voordeel in verworpen uitgaven

Nieuw vanaf 2017 is dat de vennootschap 40 % van het voordeel in de verworpen uitgaven moet opnemen als ze de brandstofkosten (geheel of gedeeltelijk) op zich neemt. Dit kan bijvoorbeeld door de werknemer of bedrijfsleider een tankkaart te geven. Maar ook als de werkgever de brandstofkosten via onkostennota’s terugbetaalt, is dat het geval.

Eigen bijdrage niet in rekening gebracht

Daarnaast komt er nog een ingrijpende wijziging voor alle bedrijfswagens, ongeacht of er een tankkaart bij is inbegrepen.

De 17 % of 40 % van het voordeel dat in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen, zal voortaan berekend worden op de volledige waarde van het voordeel. De eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider kan dus niet meer in mindering worden gebracht.

Voor de werknemers verandert er echter niets.

Read more

Jaarrekening onderneming: neerleggingskosten voor 2017

De meeste vennootschappen met rechtspersoonlijkheid moeten hun jaarrekening neerleggen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België. Het tarief voor het neerleggen van jaarrekeningen wordt bepaald door de gebruikte drager, de begindatum van de jaarrekening, en het model van de jaarrekening. De kosten voor die openbaarmaking worden elk jaar geïndexeerd.

Het tarief voor het neerleggen van jaarrekeningen wordt bepaald door:

  • de gebruikte drager: XBRL, PDF of papier;
  • de begindatum van de jaarrekening.
    Voor een jaarrekening waarvan het boekjaar aanvangt vóór 1 januari 2016 wordt een bijkomende kost aangerekend van 76,35 euro voor de publicatie in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad (BBS). Voor een boekjaar met begindatum vanaf 1 januari 2016 is er geen publicatie meer in de BBS;
  • het model van de jaarrekening: volledig, klein of micro.

Naast de openbaarmakingskosten die aan de Nationale Bank (NBB) zijn verschuldigd, zijn er nog andere elementen die de uiteindelijke neerleggingsprijs mee bepalen. Dat zijn:

  • de bijdrage in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN);
  • de bijdrage in de werkingskosten van het Advies- en Controlecomité op de Onafhankelijkheid van de Commissaris (ACCOC); en
  • 21% btw op de openbaarmakingskosten (vanaf 1 januari 2017 is er geen btw meer verschuldigd op het deel van de neerleggingskosten dat toekomt aan de NBB).

De Balanscentrale van de NBB int het volledige bedrag en stort de deelbedragen daarna door naar de betrokken instanties.

Overzicht tarieven 2017

Ondernemingen betalen sinds 1 januari 2017 volgende tarieven in euro:

Via het internet in de vorm van een gestructureerd databestand (xbrl):

  • volledig model: 289,63 euro
  • verkort model: 68,23 euro
  • micromodel: 51,23 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Via het internet in PDF-formaat:

  • volledig model: 343,23 euro
  • verkort model: 121,83 euro
  • micromodel: 104,83 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Via de post of aan het loket op papier:

  • volledig model: 349,23 euro
  • verkort model: 127,73 euro
  • micromodel: 110,73 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Het te gebruiken model van de jaarrekening wordt bepaald door groottecriteria en het al of niet beursgenoteerd zijn van de onderneming.
Niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen mogen het verkort model gebruiken; grote ondernemingen en beursgenoteerde kleine ondernemingen moeten het volledig model gebruiken. Microvennootschappen mogen een micromodel gebruiken.
Het tarief voor de neerlegging van een volledig model is ook van toepassing voor de geconsolideerde jaarrekening.

Tarieftoeslag bij niet- of laattijdige neerlegging

Ondernemingen moeten hun jaarrekening neerleggen binnen de zeven maanden na de afsluiting van hun boekjaar en binnen de dertig dagen na goedkeuring door de algemene vergadering. Ondernemingen die hun jaarrekening te laat neerleggen, riskeren onder meer een boete (tarieftoeslag) die kan oplopen tot 1.200 euro (360 euro voor kleine vennootschappen).

Wijze van betalen

Als de jaarrekening via het internet wordt neergelegd (de regel), gebeurt de betaling online met een kredietkaart (Visa of Mastercard) of offline met een overschrijving.
Buitenlandse vennootschappen, Europese Economische samenwerkingsverbanden (EESV’s) naar buitenlands recht en ondernemingen met een omzet van maximum 500.000 euro (excl. btw) mogen hun jaarrekening nog neerleggen op papier. Jaarrekeningen die op papier worden neergelegd, kunnen alleen met een overschrijving worden betaald.

 

Read more