Archief

Hoe klussen aangeven als je onbelast wil bijverdienen?

De “Bijkluswet” maakt onbelast bijverdienen mogelijk. Dat kan voor werknemers die minstens 4/5 werken, voor zelfstandigen in hoofdberoep en voor gepensioneerden. Zolang de inkomsten binnen een vastgelegde limiet blijven, zijn er geen bijdragen of belastingen verschuldigd. Sinds 15 juli 2018 moeten de klussen worden aangegeven via de onlinedienst Bijklussen. De werking in een notendop.

Voor verenigingswerk en diensten van burger aan burger

Sinds 15 juli 2018 moeten klussen tegen betaling aangegeven worden.
Als een vereniging een beroep doet op iemand die in zijn vrije tijd een betaalde taak komt uitvoeren, moet de vereniging aangifte doen. Hat gaat dan over betaalde diensten voor socioculturele verenigingen zonder winstoogmerk, feitelijke verenigingen of openbare besturen. De diensten mogen niet professioneel zijn en op de lijst van toegelaten activiteiten staan. Bijvoorbeeld: sporttrainingen, culturele activiteiten, begeleiding van schooluitstappen.

Bij occasionele betaalde diensten tussen burgers -van een privépersoon aan een andere privépersoon- moet de persoon die de klus uitvoert, zelf de aangifte doen. De diensten mogen niet professioneel zijn of geleverd worden via de deeleconomie. Ze moeten op de lijst van toegelaten activiteiten staan. Het is de persoon die de klus uitvoert, die de aangifte moet doen. Bijvoorbeeld: kleine herstellingen, kinderen van school halen of er op passen tot een van de ouders thuiskomt.

Inkomsten via een deeleconomieplatform worden aangeven bij de belastingaangifte, en niet via de onlinedienst Bijklussen: www.bijklussen.be. Het deeleconomieplatform geeft de inkomsten door aan de FOD Financiën.

Inhoud van de aangifte

Een uitvoeringsbesluit van 15 oktober 2018 (Belgisch Staatsblad van 7 november 2018) bepaalt, met ingang van 15 juli 2018, wat die aangifte precies inhoudt. De organisaties en de occasionele dienstenverrichters delen de opgesomde gegevens mee aan de RSZ. Dat moet gebeuren vóór het aanvatten van de prestaties.
Voor de periode van 15 juli tot 7 november (datum van publicatie van het uitvoeringsbesluit) kunnen de organisaties en dienstenverrichters de verklaring met terugwerkende kracht invoeren.

1/ Voor verenigingswerk. Informatie over de organisatie zelf, zoals het nummer in de Kruispuntbank. Maar ook over de verenigingswerker en over de verrichte prestatie. Het gaat dan om de aanvangs- en einddatum en de aard van de prestatie, en om het bedrag van de ontvangen vergoeding voor iedere prestatie.
De aangifte kan worden gewijzigd tot het einde van de dag waarop ze betrekking heeft (of van de dag van de einddatum van de prestatie). Wanneer de prestatie vroeger dan voorzien stopt, kan ze worden gewijzigd tot het einde van de dag waarop de prestatie werd beëindigd.

2/ Voor occasionele diensten tussen burgers. Informatie (identificatie) over zichzelf en over de persoon voor wie de klus wordt geklaard. Verder iedere datum van prestaties, de aard van de prestaties en het bedrag van de ontvangen vergoeding voor iedere prestatie.
De aangifte kan worden gewijzigd tot het einde van de dag waarop ze betrekking heeft.
Annuleren van een aangifte kan sowieso tot op het einde van de dag waarop ze betrekking zou hebben indien de voorziene prestaties niet werden uitgevoerd.

Elektronische aangifte

Dankzij de elektronische toepassing zullen de occasionele dienstenverrichters en de verenigingswerkers de gegevens (en de wijzigingen ervan) kunnen raadplegen. Denk bijvoorbeeld aan de bedragen van de verschillende vergoedingen.
Zij laat ook toe om een attest af te drukken zodat de organisaties het jaarbedrag kunnen raadplegen dat de verenigingswerker gedurende het lopende jaar al heeft ontvangen voor het verenigingswerk. Ook de dienstenverrichters kunnen op die manier het maandbedrag en het jaarbedrag raadplegen van de vergoedingen die zij al ontvangen hebben gedurende het lopende jaar.

Limietbedragen

Wie in zijn vrije tijd tegen betaling bijklust, mag tot 6.130 euro per jaar (geïndexeerd bedrag 2018) bijverdienen zonder er belastingen of sociale bijdragen op te betalen. Let op: hierin zijn verplaatsings- en andere onkosten inbegrepen.
Het moet gaan om verenigingswerk, diensten van burger aan burger of activiteiten in de deeleconomie. En de inkomsten uit verenigingswerk en uit diensten aan burgers mogen samen niet meer dan 510,83 euro per maand (geïndexeerd bedrag 2018) bedragen.

Read more

Wat met de statuten en akten van burgerlijke vennootschappen?

Sinds 1 november 2018 maken we geen onderscheid meer tussen handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen. Voortaan spreken we enkel over vennootschappen. Beoefenaars van vrije beroepen die een vennootschap oprichtten, kozen traditioneel voor een burgerlijke vennootschap. Dit burgerlijk karakter van de vennootschap staat vermeld in haar statuten. Moeten de burgerlijke vennootschappen hun statuten nu aanpassen?

Het verdwijnen van het onderscheid tussen handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen is een gevolg van het afschaffen van het begrip handelaar door de wet van 15 april 2018 tot hervorming van het ondernemingsrecht. De bepaling in het Wetboek van vennootschappen dat stelde dat de burgerlijke of handelsaard van een vennootschap wordt bepaald door haar doel, is dan ook geschrapt.

Gevolgen voor de statuten

Wat is de impact van die schrapping voor vrije beroepers (dokters, apothekers, advocaten, architecten, boekhouders, accountants, …)? En wat met patrimoniumvennootschappen, landbouwvennootschappen, vennootschappen voor bosbeheer, enz. die burgerlijke vennootschappen zijn?

Minister van Justitie Koen Geens is duidelijk. Het opheffen van het “burgerlijk karakter” vereist geen statutenwijziging. “De burgerlijke vennootschappen met handelsvorm worden eenvoudige vennootschappen die de vorm van een bvba of een nv aannemen. Het is overbodig om de statuten daarvoor aan te passen, omdat dat van rechtswege zal gebeuren. De statuten kunnen worden aangepast wanneer een andere wijziging zich opdringt.” (CRABV, Beknopt Verslag, 54 PLEN 222, 29 maart 2018, p. 27)

De aanpassing van de rechtsvorm gebeurt dus automatisch door de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Dit slaat op alle rechtsvormen van vennootschappen; niet alleen op de bvba of de nv.

Gevolgen voor akten en facturen

Artikel 78 van het Wetboek van vennootschappen bepaalt dat alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, websites en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, uitgaande van vennootschappen de volgende gegevens moeten vermelden:

1° de naam van de vennootschap;
2° de rechtsvorm, voluit of afgekort;
3° de nauwkeurige aanduiding van de zetel van de vennootschap;
4° het ondernemingsnummer;
5° het woord “rechtspersonenregister” of de afkorting “RPR”, gevolgd door de vermelding van de zetel van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft;
6° in voorkomend geval, het feit dat de vennootschap in vereffening is

Sinds 1 november 2018 moeten deze stukken niet langer, in voorkomend geval, de woorden “burgerlijke vennootschap met handelsvorm” vermelden.

Read more

Wat wijzigt er voor de maatschap?

Door de hervorming van het ondernemingsrecht (wet van 15 april 2018) wijzigen er enkele regels en verplichtingen voor maatschappen. Zo wordt de maatschap boekhoudplichtig en moet ze zich inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De nieuwe regels zijn in voege sinds 1 november jl.

Maatschap = onderneming

De wet van 15 april 2018 definieert een onderneming als:

“elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze
een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”

Deze nieuwe algemene definitie voor alle actoren die economisch actief zijn, gebruikt formele criteria in plaats van het materiële criterium (uitoefening van een economische activiteit).

Tot de nieuwe algemene ondernemingsdefinitie behoort:

  • elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent (bv. natuurlijke personen die als handelaar, ambachtsman, beoefenaar van een vrij beroep of bestuurder van vennootschappen werken).
  • elke rechtspersoon, met uitzondering van de publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten op de markt aanbieden. Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, zoals de NV, BVBA en VOF, zijn en blijven dus ondernemingen. Nieuw is dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals de verenigingen en stichtingen, ook als onderneming gekwalificeerd worden, zelfs als ze geen economisch doel nastreven.
  • elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Daarbij denken we in de eerste plaats aan … de maatschap!

De maatschap wordt opgericht bij contract waarbij twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen (inbreng) met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen. De maatschap kan (kon) een burgerlijk doel (bv. behoud en beheer van een familiaal onroerend goed of het familiaal vermogen; samenwerkingsverbanden tussen vrije beroepen) of een handelsdoel hebben. De burgerlijke maatschap werd vroeger niet als een ‘onderneming’ beschouwd.

Nieuwe verplichting: inschrijving in KBO

Omdat maatschappen voortaan ook als ondernemingen beschouwd worden, gelden er nieuwe verplichtingen voor hun zaakvoerders.
Vanaf 1 november 2018 moeten nieuwe maatschappen zich voor de aanvang van hun activiteit registreren bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), via een ondernemingsloket. Bestaande maatschappen hebben nog tijd tot uiterlijk 30 april 2019 voor de registratie in de KBO (tenzij de Koning die datum zou vervroegen). Net zoals een vennootschap ontvangt de maatschap dan een ondernemingsnummer.
De inschrijving in de KBO als inschrijvingsplichtige onderneming geldt, behoudens tegenbewijs, als vermoeden van de hoedanigheid van onderneming.

Nieuwe verplichting: boekhouding voeren

Afhankelijk van hun omzet moeten maatschappen een enkelvoudige of dubbele boekhouding voeren. Als de omzet van de maatschap over het laatste boekjaar minder bedraagt dan 500.000 euro (excl. btw), kan ze het vereenvoudigd schema toepassen. Als de omzet meer bedraagt dan 500.000 euro, wordt een volledige dubbele boekhouding verplicht. Wellicht volstaan kleine ingrepen om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen omdat veel maatschappen al een eenvoudige boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen.

In principe geldt de nieuwe verplichting vanaf 1 november 2018. Bestaande maatschappen moeten pas aan deze verplichting voldoen vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 november 2018 (d.i. na 30 april 2019). Voor de maatschappen die een boekjaar voeren volgens het kalenderjaar betekent dit het jaar 2020 (behoudens andere datum bij koninklijk besluit).
Voorlopig geldt geen publicatieverplichting.

 Nieuwe verplichting: alle maten hoofdelijk aansprakelijk

De maten (vennoten) zijn persoonlijk onbeperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de zaakvoerder. In een commerciële maatschap zijn de maten hoofdelijk gehouden; in een burgerlijke maatschap zijn de maten elk voor gelijke delen gehouden. Dit was de regel. Omdat het onderscheid tussen commerciële en burgerlijke maatschappen wordt opgeheven, breidt het aansprakelijkheidsregime uit. Alle maten zijn voortaan hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de maatschap. Dit wordt de regel.

De kwalificatie van iedere maatschap als onderneming heeft nog een ander gevolg: de ondernemingsrechtbank (de voormalige rechtbank van koophandel) is bevoegd voor alle geschillen tussen maatschappen en/of andere ondernemingen.

Terminologische aanpassing

Tot slot. De maatschap zal niet langer société de droit commun heten in het Frans, maar wel société simple.

 

Read more

Vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid nu ook in bouwsector

Werkgevers zijn in principe verplicht de bedrijfsvoorheffing die ze inhouden op de bezoldiging van hun personeel door te storten aan de Schatkist. Op deze verplichting bestaan verschillende uitzonderingen. Bijvoorbeeld voor ploegenarbeid in bepaalde sectoren. De vrijstelling voor ploegenarbeid geldt nu ook in de bouwsector.

Verplichting tot doorstorting en vrijstelling

Ondernemingen houden bedrijfsvoorheffing in op het loon van hun werknemers. Deze voorheffing storten ze door aan de Schatkist. In de loop der jaren heeft de wetgever allerlei vrijstellingen ingevoerd, waarbij de werkgever de bedrijfsvoorheffing wel inhoudt, maar niet doorstort. De werkgever mag dan onder bepaalde voorwaarden de ingehouden zelf behouden.

Ploegen- en nachtarbeid

Voor ploegen- en nachtarbeid bestaat er al een vrijstelling. Die was tot nu toe alleen van toepassing op opeenvolgende ploegen. Dit had tot gevolg dat in de praktijk alleen ploegenarbeid in de industrie van de vrijstelling genoot. De voorwaarde van opeenvolgende ploegen is nu geschrapt voor werken in onroerende staat zoals bedoeld in de btw. Daardoor komt de bouwsector nu ook in aanmerking. De maatregel treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2018.

De ploegenarbeid mag op locatie (lees: op een werf) plaatsvinden. Een ‘ploeg’ moet uit minstens twee werknemers bestaan die hetzelfde of complementair werk doen.

Vrijstelling van 3 %

Het vrijstellingspercentage bedraagt 3 % van de bezoldiging. Vanaf 1 januari 2019 stijgt het percentage tot 6 %, en vanaf 1 januari 2020 stijgt het nog verder tot 18 %.

Nieuw (voor de industrie en de bouwsector) is dat het bedrag dat de werkgever moet inhouden, maar zelf mag bijhouden, wordt berekend op niveau van de groep van alle werknemers die in aanmerking komen. Dit betekent dat als de effectief in te houden bedrijfsvoorheffing lager is dan het vrijstellingspercentage, het verschil mag worden afgehouden bij een ander personeelslid.

Voorbeeld
In de industrie bedraagt het vrijstellingspercentage momenteel 22,8 %.
Werkgever A heeft twee werknemers X en Y:

  • Werknemer X heeft een loon van 100. Volgens de barema’s van de bedrijfsvoorheffing moet zijn werkgever hierop 20 % bedrijfsvoorheffing inhouden. Het vrijstellingspercentage waarop A recht heeft bedraagt echter 22,8 %. Er gaat dus eigenlijk 2,8 ‘verloren’ omdat die niet wordt benut.
  • Werknemer Y heeft eveneens een loon van 100, maar bij hem moet volgens de barema’s 25 % bedrijfsvoorheffing worden ingehouden. Daarvan mag de werkgever 22,8 voor zich houden. Dan blijft er nog 2,2 over die in principe moet worden doorgestort aan de Schatkist. Met die 2,2 mag A de 2,8 die bij X verloren ging, compenseren. Daardoor loopt de vrijstelling voor A nu op tot 45 (20 voor X + 22,8 voor Y + 2,2 doorgeschoven) in plaats van 42,8 (20 bij X + 22,8 voor Y). De werkgever verwerft dus een grotere vrijstelling.

Alleen de laatste 0,6 (2,8 – 2,2) gaat nog verloren en moet A aan de Schatkist doorstorten.

Voorwaarde: minimumloon ploegenarbeider

De vrijstelling telt alleen voor werknemers met een bruto-uurloon van ten minste 17,42 euro (geïndexeerd bedrag voor aj. 2019).

Niet voor eenmalige betalingen

De vrijstelling is niet van toepassing op:

  • Uitbetalingen die maar één keer per jaar gebeuren, zoals vakantiegeld en eindejaarspremie.
  • Achterstallige bezoldigingen.
  • Bijkomende premies.

Waarom uitbreiding naar bouwsector?

De schrapping gebeurde specifiek om ploegenarbeid in de bouwsector fiscaal interessanter te maken. De regering wil hiermee:

  • De loonkost verminderen.
  • Sociale dumping tegengegaan.
  • Zwart werk doen afnemen.

 

Read more

Onroerende verhuur vanaf 1 januari 2019

Vanaf 1 januari 2019 kunnen belastingplichtigen er voor kiezen om bij onroerende verhuur btw aan te rekenen. Wij brengen de principes nog even terug in herinnering.

Huurder en verhuurder kiezen voor toepassing btw

Huurder en verhuurder kiezen samen om de onroerende verhuur aan btw te onderwerpen. De verhuurder gebruikt het goed voor zijn economische activiteit (ook een btw-plichtige met een vrijgestelde activiteit, bv. een dokter komt als huurder in aanmerking).

Kiezen de twee partijen ervoor om hun verhuur te onderwerpen aan btw, dan geldt deze optie voor de gehele duur van de huurovereenkomst. Bij het afsluiten van een nieuwe huurovereenkomst of bij een verlenging van een bestaande overeenkomst, beslissen de partijen dan opnieuw of ze de verhuur aan btw willen blijven onderwerpen.

1 oktober 2018 is cruciale datum

De nieuwe regels treden in werking op 1 januari 2019. Maar 1 oktober 2018 is een cruciale datum. Btw toepassen kan immers alleen voor nieuwe gebouwen of vernieuwbouw waarbij de btw opeisbaar is geworden vanaf 1 oktober 2018. Dat betekent in feite dat er voor die datum nog geen factuur is uitgereikt en/of nog geen voorschot is betaald.

Ook voor deel gebouw

Ook de verhuur met btw van een gedeelte van een gebouw is mogelijk. Een gedeelte van een gebouw is een gedeelte dat economisch zelfstandig geëxploiteerd kan worden (bv. verhuurd of gebruikt) en dat rechtstreeks van buitenaf toegankelijk is.

Uitzondering 1: kortdurende verhuur altijd met btw

Een verhuur voor een periode die niet meer dan zes maanden bedraagt, is een kortdurende verhuur. Hierop is in principe altijd btw verschuldigd.

Het zou België niet zijn als er geen uitzondering op de uitzondering bestond. Een korte verhuur wordt niet verplicht aan btw onderworpen:

  • Wanneer het goed voor bewoning wordt gebruikt.
  • Wanneer de huurder een natuurlijke persoon is die het goed alleen privé gebruikt.
  • Als de huurder een vzw is.
  • Als het goed wordt gebruikt voor sociale en culturele activiteiten.

Uitzondering 2: altijd btw voor…

Er wordt altijd btw aangerekend op verhuur van …

  • Parkeerruimte voor voertuigen.
  • Gemeubeld logies in hotels, motels, enz.
  • Blijvend geïnstalleerde machines.

Uitzondering 3: opslaan van goederen

Voor gebouwen bestemd voor het opslaan van goederen gelden bijzondere regels:

  • Verhuur van magazijnen en opslagruimtes met btw ook voor bestaande gebouwen: de regel dat alleen nieuwe gebouwen waarvoor de btw opeisbaar is geworden na 1 oktober 2018 in aanmerking komen, geldt hier niet. Verhuur van magazijnen met btw is dus makkelijker.
  • Vandaag is de verhuur van opslagruimtes al een uitzondering op de vrijgestelde verhuur. Dus ook nu al is er btw op verschuldigd. Die uitzondering wordt vanaf 1 januari 2019 alleen nog toegepast als de optie ‘verhuur met btw’ niet kan worden gekozen, bv. omdat de huurder een particulier is.
  • De 10 %-regel die bepaalt dat maximaal 10 % van het magazijn als kantoor voor voorraadbeheer wordt gebruikt, wordt geschrapt. Het volstaat dat het gebouw voor meer dan 50 % wordt gebruikt voor het opslaan van goederen om een opslagruimte te zijn. Er komt wel een nieuwe beperking: de opslagruimte wordt maximaal voor 10 % gebruikt als verkoopruimte.

Read more

Hervorming vennootschapsbelasting: voorbereiden op volgende fases

In aanslagjaren 2019 en 2020 treden de volgende fases van de hervorming vennootschapsbelasting in werking. We brengen u de komende wijzigingen in herinnering en wijzen erop hoe u zich nu al kunt voorbereiden op de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen. Zo verzacht u de impact ervan.

Voorziening voor risico’s en kosten aanleggen wordt moeilijker

Belastingvrij een voorziening voor risico’s en kosten aanleggen, is vanaf aanslagjaar 2019 alleen nog mogelijk als ze betrekking heeft op wettelijke, contractuele en/of reglementaire verplichtingen. Deze strengere aanpak geldt voor nieuwe voorzieningen en vanaf 2019 gedane toevoegingen aan reeds bestaande voorzieningen.

Voorzieningen die de vennootschap vrijwillig aanlegt, komen niet meer aanmerking, bv. (in de meeste gevallen) voorzieningen voor herstellings- en onderhoudswerken. Een mogelijke oplossing is het aangaan van een raamovereenkomst met een aannemer, waardoor er wel een contractuele verplichting ontstaat.

Belasting op meerwaarden op aandelen: anders investeren

Meerwaarden op kleine deelnemingen (minder dan 10 %, of aanschaffingswaarde van minder dan 2,5 miljoen euro) worden vanaf aanslagjaar 2019 belast tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief. Voor aandelen in beleggingsvennootschappen gelden de participatievoorwaarde (de minimumdeelneming) en de permanentievoorwaarde (aandelen minstens één jaar ononderbroken houden) niet. Uw investeringen herbekijken is dus aangewezen. Investeren in een dbi-bevek is een interessant alternatief.

Aftrekbeperking counteren met belastingkrediet onderzoek en ontwikkeling

Van aanslagjaar 2020 worden de ‘bewerkingen’ hervormd. Het gebruik van enkele aftrekken wordt beperkt tot 1 miljoen euro, verhoogd met 70 % van de winst boven het miljoen. Daardoor zal er 30 % van de winst boven het miljoen altijd belast worden. De facto bestaat er zo een minimumbelasting.

De aftrekbeperking geldt voor:

  • vorige verliezen,
  • overgedragen dbi-aftrek,
  • overgedragen innovatieaftrek,
  • notionele interestaftrek van het boekjaar,
  • overgedragen notionele interestaftrek van voorgaande boekjaren.

Voor de andere aftrekken (van het boekjaar zelf) geldt de aftrekbeperking niet.
Door de aftrekbeperking (bv. van de vorige verliezen) kan het interessant zijn om de investeringsaftrek voor O&O om te zetten in een verrekenbaar belastingkrediet. Zo kan de vennootschap bv. haar vorige verliezen beter laten renderen. Om precies te weten of de vennootschap er voordeel bij heeft, moeten beide scenario’s naast elkaar gelegd worden. Een vereenvoudigd voorbeeld om te verduidelijken.

Voorbeeld

In 2019 heeft NV INVEST:

  • 2,1 miljoen euro winst.
  • 3 miljoen vorige verliezen.
  • 000 euro investeringsaftrek.
  • Er zijn geen andere aftrekken.

Als INVEST haar investeringsaftrek gebruikt, wordt de belastbare winst gereduceerd tot 1,6 miljoen euro (2,1 miljoen winst – 0,5 miljoen investeringsaftrek). Dit heeft een onmiddellijke impact op de bruikbaarheid van de vorige verliezen. Het eerste miljoen kan volledig gebruikt worden. Van het overige verlies is slechts 600.000 (winst boven het miljoen) × 70 % = 420.000 euro aftrekbaar. In totaal kan INVEST 1.420.000 euro vorige verliezen gebruiken. Zo komt INVEST op een belastbaar resultaat van 180.000 euro = 2,1 miljoen – 500.000 investeringsaftrek – 1.420.000 vorige verliezen. Aan het tarief van 29,58 % komt dat neer op een belasting van 53.244 euro.

Als INVEST haar investeringsaftrek niet gebruikt, maar omzet in een belastingkrediet van 147.900 euro (= 29,58 % van 500.000 euro), ziet het plaatje er anders uit. De bruikbaarheid van vorige verliezen wordt op een hogere basis berekend: het eerste miljoen kan volledig gebruikt worden. Van het overige verlies is 1.100.000 (winst boven het miljoen) × 70 % = 770.000 euro aftrekbaar. INVEST komt dan uit op een belastbaar resultaat van 2,1 miljoen – 1.770.000 euro = 330.000 euro. Hierop is 29,58 % = 97.614 euro belasting verschuldigd. Maar dat wordt tot 0 gereduceerd omdat INVEST haar belastingkrediet nog kan gebruiken. INVEST heeft dan zelfs nog 50.286 euro belastingkrediet over (147.900 – 97.644) om de volgende jaren te gebruiken.

Read more

Pensioensparen: kiezen voor 960 of 1.230 euro?

Sinds dit jaar kunt u kiezen om een hoger bedrag te pensioensparen, tot 1.230 euro. Als u daarvoor kiest, krijgt u relatief wel een lager voordeel. De vermindering zakt van 30 % tot 25 % van het gespaarde bedrag. U moet er dus wel goed over nadenken. En er uitdrukkelijk voor kiezen.

Lager of hoger bedrag sparen?

Doet u aan pensioensparen? Vanaf 2018 kunt u kiezen tussen twee maximumbedragen:

  • U kunt tot 960 euro sparen (bedrag voor aj. 2019, sparen in 2018) aan 30 % wat u uiteindelijk een belastingvermindering van 288 euro
  • U kunt tot 1.230 euro sparen (bedrag voor aj. 2019, sparen in 2018) aan 25 % wat u uiteindelijk een belastingvermindering van 307,50 euro

Dit systeem noemen we duaal pensioensparen.

Eén euro meer sparen dan 960 euro = vermindering aan 25 %

Let op: als u 961 euro spaart, valt u automatisch terug op de belastingvermindering aan 25 %. Dat houdt in dat een belastingplichtige die 961 euro spaart een kleiner voordeel krijgt dan de belastingplichtige die 960 euro spaart.

Een voorbeeld:

  • U spaart minder dan het laagste maximum, bv. 900 euro = uw belastingvermindering bedraagt 30 % van 900 = 270 euro.
  • U spaart meer dan het laagste maximum, maar minder dan het hoogste maximum, bv. 1.000 euro = uw belastingvermindering bedraagt 25 % van 1.000 = 250 euro. U spaart dus meer, maar krijgt een lager voordeel.
  • U spaart 1.152 euro = uw belastingvermindering bedraagt 25 % van 1.152 = 288 euro.
    Dit is gelijk aan de vermindering die u krijgt als u het laagste maximum spaart (960 euro aan 30 %).

Wat kunnen we hieruit leren? Als u kiest om meer dan 960 euro te sparen, kunt u best het hoogste bedrag sparen. En op zijn minst 1.152 euro. Anders krijgt u voor meer sparen, een kleiner fiscaal voordeel.

Uitdrukkelijk kiezen

Het is dus nadelig als u meer dan 960 euro maar minder dan 1.152 euro spaart. Wanneer u meer spaart dan 960 euro, zal uw bank u contacteren om u er op te wijzen dat uw belastingvermindering naar 25 % zal zakken. U moet dan bevestigen dat u er voor dat jaar voor kiest om meer dan 960 euro te sparen. U moet er dus uitdrukkelijk voor kiezen. Doet u dit niet, dan stort de bank wat u boven de 960 euro spaarde terug. De wetgever wil hiermee vermijden dat spaarders voor een verrassing komen te staan en minder voordeel krijgen voor meer sparen.

De keuze moet u jaarlijks opnieuw bevestigen. U kunt dat ook nu nog doen. U kunt, met andere woorden, nu nog aan uw bank laten weten dat u voor 2018 meer dan 960 euro wilt sparen. Let op: eens de keuze gemaakt voor een bepaald jaar, kunt u er niet meer op terugkomen.

Read more

Belastingvrij bijklussen

Sinds 15 juli kunt u onbelast bijverdienen tot 6.130 euro per jaar, met een maximum van 510,83 euro per maand. Let op het gaat om bij-verdienen. Dit fiscaal gunstregime telt enkel voor wie al een hoofdberoep heeft, en voor gepensioneerden.

Wie mag bijverdienen?

U kunt onbelast bijklussen als u…

  • Werknemer bent en minstens 4/5 werkt.
  • Zelfstandige bent in hoofdberoep.
  • Gepensioneerd bent.

Hoeveel bijverdienen?

U mag maximum 6.130 euro per jaar bijverdienen (bedrag voor aj. 2019, basisbedrag 3.830 euro). Per maand mag u maximaal 510,83 euro bijverdienen (voor aj. 2019, basisbedrag 319 euro). Werkt u in een seizoensgebonden sector dan wordt het maandelijks maximum opgetrokken tot iets meer dan 1.000 euro (het jaarlijks maximum blijft 6.130 euro).

Welke activiteiten?

U kunt bijverdienen in één van de volgende sectoren: verenigingswerk, diensten van burger tot burger en de deeleconomie (die al langer van een gunstregime genoot).

Verenigingswerk omvat diensten voor socioculturele verenigingen zonder winstoogmerk. Het gaat onder meer om gidsen, animators, sporttrainers. Let op verenigingswerk is niet hetzelfde als onbetaald vrijwilligerswerk (waarvoor een vrijwilliger alleen een onkostenvergoeding krijgt).

Diensten van burger tot burger zijn niet-professionele diensten die u verricht voor een andere particulier. Alleen occasionele diensten zijn toegelaten (elke week het gras van de buren afrijden valt er bv. niet onder). Het gaat om diensten als:

  • kinderoppas,
  • bijles geven,
  • kleine onderhoudswerken,
  • hulp bij administratie,
  • kleine IT-problemen oplossen.

In de deeleconomie verleent u diensten via een erkend onlineplatform. Dit regime bestond al langer. De bestaande regels blijven gelden, maar het huidige maximumbedrag van 5.000 euro wordt opgetrokken tot 6.130 euro.

Het maximumbedrag telt voor de drie categorieën samen.

De overheid heeft de site www.bijklussen.be opgezet met meer info. Wilt u aan de slag dan vindt u daar meer info. U kunt zich er ook als dienstverlener registreren. Als u een job heeft voor een klusser, kunt u ook daar terecht.

Beroepsverenigingen naar Grondwettelijk Hof

De Boerenbond en Unizo vinden dat de Bijkluswet oneerlijke concurrentie veroorzaakt tegenover de activiteiten van hun leden. Beide verenigingen stappen naar het Grondwettelijk Hof om de wet te laten vernietigen.

Read more

Fiscale bemiddelingsdienst kan nu ook boetes kwijtschelden

De fiscale bemiddelingsdienst is een onafhankelijke dienst die bemiddelt bij geschillen tussen de belastingplichtige en de fiscus. Binnenkort krijgt de dienst er nog een extra taak bij: kwijtschelden en verminderen van fiscale boetes.

Van minister naar fiscale bemiddelingsdienst

De bevoegdheid om boetes en belastingverhogingen kwijt te schelden behoort al sinds 1831 toe aan de minister van Financiën. Nu gaat deze bevoegdheid over naar een nieuw departement van de fiscale bemiddelingsdienst: de Cel Administratieve Sancties of CAS. Uiterlijk op 1 januari 2019 neemt de dienst deze taak over.

Boetes kwijtschelden of verminderen

De CAS kan boetes en belastingverhogingen kwijtschelden of verminderen die worden opgelegd omwille van een overtreding van het wetboek inkomstenbelastingen (WIB92) of één van haar uitvoeringsbepalingen (bv. KB/WIB92). De CAS is niet bevoegd voor boetes in verband met onroerende voorheffing in Vlaanderen en Brussel, omdat de FOD Financiën daarvoor de dienst niet meer uitmaakt.

Vallen ook onder de bevoegdheid van de bemiddelingsdienst:

  • Boetes en belastingverhogingen betreffende de met de inkomsten gelijkgestelde belastingen (MIGB) zoals de belasting op de automatische ontspanningstoestellen en de belasting op spelen en weddenschappen.
  • Boetes en belastingverhogingen betreffende de wet diverse rechten en taksen (WDRT), zoals rechten op geschriften (gerechtsdeurwaarders en notarissen), de taks op beursverrichtingen en de taks op effectenrekening.
  • Let op: door de regionalisering nemen de gewesten steeds meer de dienst over van deze belastingen. Wanneer dat gebeurt, is de CAS niet meer bevoegd.

Andere ambtenaren bevoegd voor btw en registratierechten

Eigenlijk was het de bedoeling de bevoegdheid om te oordelen over kwijtschelding/vermindering van boetes en belastingverminderingen bij één instantie te centraliseren. Dat is niet helemaal gelukt. Zo blijven btw en registratierechten buiten de bevoegdheid van het CAS.

Alleen voor definitieve boetes

Alleen definitieve boetes of belastingverhogingen komen in aanmerking voor kwijtschelding/vermindering. Als u een bezwaar hebt ingediend bij de administratie of een geschil voor de rechtbank heeft gebracht, moet u op een beslissing of vonnis wachten.

CAS kijkt naar financiële toestand belastingplichtige

Het CAS kijkt niet naar de wettigheid of gegrondheid van de boete. De dienst houdt alleen maar rekening met uw financiële toestand. Op basis daarvan oordeelt de dienst of er reden is om de boete te verminderen/kwijtschelden.

Wanneer is kwijtschelding niet mogelijk?

U kunt geen kwijtschelding krijgen:

  • Als u al een onbeperkt uitstel van de invordering hebt gekregen.
  • Als u zich in een collectieve schuldenregeling bevindt.
  • Als u zich in een gerechtelijke reorganisatie bevindt.

Hoe een verzoek indienen?

Hoe u precies een verzoek bij het CAS moet indienen, wordt later nog bij KB vastgelegd. Allicht zal het gebeuren via een grondig gemotiveerd verzoekschrift.

Beslissing van het CAS

Een college van het CAS beslist bij meerderheid van het quorum van de collegeleden. Zij hebben toegang tot alle applicaties en databanken van de FOD financiën. Zij kunnen de kwijtschelding aan het naleven van voorwaarden verbinden, bv. een betaalplan.

Juridisch blijft de sanctie zelf bestaan. De fiscus vordert alleen de boete niet langer in. Dit betekent dat eventuele nalatigheidsinteresten wel verschuldigd blijven tot de datum van beslissing van de CAS.

 

Read more

Hervorming vennootschapsrecht: waar staan we vandaag?

Hervorming vennootschapsrecht: waar staan we vandaag?

Minister van Justitie Koen Geens werkt al enkele jaren aan een nieuw wetboek van vennootschappen. Dit is oud nieuws. Het voorontwerp is intussen aangepast aan het advies van de Raad van State en goedgekeurd in tweede lezing door de Ministerraad. Op 4 juni jl. is het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) ingediend bij de Kamer. Dit is het laatste nieuws.

Wetboek van vennootschappen en verenigingen

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) vervangt het bestaande Wetboek van vennootschappen (W.Venn.), de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen (vzw-wet) én de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen.
De modernisering van ons vennootschapsrecht is opgebouwd rond 3 krachtlijnen.

Krachtlijn 1: een doorgedreven vereenvoudiging

  • afschaffing van het onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden en tussen burgerlijke en handelsvennootschappen;
  • integratie van het vennootschaps- én het verenigingsrecht in één enkel wetboek;
  • afschaffing van de publieke vennootschappen en beperking van de regels voor genoteerde vennootschappen;
  • beperking van het aantal vennootschapsvormen;
  • beperking van het aantal strafbepalingen. Voorkeur voor burgerlijke sancties (zoals bestuurdersaansprakelijkheid, nietigheid of andere specifieke sancties).

Krachtlijn 2: een verregaande flexibilisering

Besloten vennootschap (BV) = vennootschap met beperkte aansprakelijkheid maar zonder kapitaal

  • afschaffing van het concept maatschappelijk kapitaal;
  • opheffing van het strikte verband tussen de waarde van de inbrengen en de rechten die in ruil daarvoor aan de vennoten worden toegekend, met de dwingende regel dat elk aandeel dezelfde rechten moest geven;
  • herformulering van een aantal regels door de afschaffing van het kapitaalconcept, waaronder de voorschriften over verkrijging van eigen aandelen, financiële steunverlening, de alarmbelprocedure, de verplichte verantwoording en waardebepaling van de inbrengen in natura;
  • focus op de verantwoording van de uitgifteprijs van nieuwe aandelen, met een veralgemeende en explicietere verantwoordingsplicht van het bestuur;
  • vrije regeling van de overdraagbaarheid van aandelen zodat men van de BV een zeer gesloten maar ook een zeer open vennootschap kan maken.

Naamloze vennootschap (NV) = kapitaalvennootschap met 3 mogelijke bestuursmodellen

  • de dwingende regel van de ad nutum herroepbaarheid van de bestuurders wordt van aanvullend recht;
  • de NV zal in de toekomst een ‘enige bestuurder’ kunnen aanstellen die alleen om wettige reden kan worden ontslagen in tegenstelling tot de klassieke (collegiale) raad van bestuur nu;
  • een duaal bestuursmodel kan in de plaats komen van het directiecomité;
  • het huidige directiecomité (art. 1524bis W.Venn.) wordt afgeschaft;
  • een genoteerde NV kan statutair in een (ten hoogste) dubbel stemrecht voorzien voor trouwe aandeelhouders; terwijl in de niet-genoteerde NV en in de BV het meervoudig stemrecht wordt toegelaten.

Coöperatieve vennootschap (CV) = vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en zonder kapitaal maar voor een beperkte groep ondernemingen

  • voorbehouden voor vennootschappen die een onderneming voeren op basis van het coöperatief gedachtegoed. Naar analogie met de Europese coöperatieve vennootschap (SCE);
  • de ‘oneigenlijke’ coöperatieven moeten niet langer deze vorm aannemen en zullen BV’s kunnen worden;
  • een CV kan erkend worden overeenkomstig het KB van 8 januari 1962. Ook een erkenning als landbouwonderneming of als sociale onderneming is mogelijk.

Krachtlijn 3: aanpassing aan Europese evoluties

Europa kent 2 systemen voor de ‘nationaliteit’ van een vennootschap. Die ‘nationaliteit’ bepaalt welk vennootschapsrecht op haar van toepassing is.
Volgens de zgn. statutaire zetelleer kan worden aangeknoopt aan het recht van de staat waar de vennootschap haar statutaire zetel heeft; volgens de zgn. werkelijke zetelleer is het toepasselijke recht, het recht van de staat waar haar werkelijke zetel is gelegen.

België heeft in het verleden gekozen voor de werkelijke zetel, andere landen voor de statutaire zetel (of het Angelsaksische systeem van de incorporatie). Om de rechtszekerheid te bevorderen en om tegemoet te komen aan de economische en juridische realiteit, kiest België in het nieuwe wetboek voor de statutaire zetelleer.
Het wetsontwerp regelt de grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel van vennootschappen.

Vanaf wanneer?

Het wetsontwerp voorziet in ruime overgangstermijnen waarbinnen de bestaande vennootschappen en verenigingen zich aan het nieuwe recht kunnen aanpassen.
De finale goedkeuring van het wetsontwerp door het parlement wordt verwacht in de herfst van 2018.
De wet zou in werking treden in de loop van 2019 (10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad voor nieuwe vennootschappen en verenigingen).
Voor bestaande vennootschappen en verenigingen zou het nieuwe wetboek van toepassing worden op 1 januari 2020. Zij zouden tijd krijgen tot 1 januari 2024 om hun statuten in overeenstemming te brengen met het nieuwe wetboek.

Read more