Archief

Over & out voor het begrip handelaar

Een wet van 15 april 2018 zet een omvangrijke hervorming van ons ondernemingsrecht om in de praktijk. Het begrip handelaar wordt afgeschaft. In de plaats daarvan wordt er een nieuwe ondernemingsdefinitie ingevoerd. Het bewijsrecht verhuist naar het Burgerlijk Wetboek. De wijzigingen treden in principe op 1 november 2018 in werking.

Nieuw ondernemingsbegrip een feit

Schrap de notie handelaar uit uw geheugen. De noties handelaar en koophandel verwijzen naar vorige eeuw. Het begrip is verouderd en komt in conflict met de huidige economische realiteit. Na meer dan 200 jaar maakt het begrip plaats voor een modern ondernemingsbegrip. Het nieuwe begrip onderneming vervangt dus het begrip “handelaar”, “koopman”, “handelsvennootschap” en verwante begrippen. En de nieuwe definitie is ruim. Met ondernemingen worden bedoeld:

  • natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen (dus ook de beoefenaars van een vrij beroep);
  • Ook vzw’s en stichtingen, zelfs als ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Publiekrechtelijke rechtspersonen ook tenzij ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Maar niet de federale staat en zijn gedecentraliseerde entiteiten;
  • andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een uitkeringsoogmerk hebben en uitkeringen doen aan hun leden of personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: de zgn. ‘feitelijke verenigingen’ vallen buiten het ondernemingsbegrip terwijl de maatschappen en de andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid wel onder het ondernemingsbegrip vallen.

Het gebruik van het materieel criterium (economisch doel nastreven) maakt met andere woorden plaats voor een definitie met formele criteria.

Gevolgen voor het bewijsrecht: ja

Deze wijziging heeft uiteraard gevolgen voor het bewijsrecht.
Het handelsbewijsrecht dat we nu terugvinden in het Wetboek van koophandel -dat dateert uit 1808!- wordt hervormd tot het ondernemingsbewijsrecht. De ondernemingsbewijsregels worden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Ze gelden voor alle ondernemingen die onder het nieuwe ondernemingsbegrip vallen. Het zal dus ook gelden tussen en tegen vrije beroepers, vzw’s, stichtingen, enz.
De rechtbank van koophandel heet voortaan trouwens de ondernemingsrechtbank.

Gevolgen voor de bewijsvrijheid: neen

Inhoudelijk noteren we in feite geen wijzigingen aan het bewijsrecht.
Tussen of tegen ondernemingen kan het bewijs geleverd worden door alle middelen van recht, behoudens wettelijke uitzonderingen.
Die bewijsvrijheid geldt wel alleen voor handelingen gesteld door een onderneming. Zij geldt dus niet voor ondernemingen die een bewijs willen leveren tegen een partij die geen onderneming is. Deze laatste kan dan wel weer alle middelen van recht gebruiken.

Rechtshandelingen van natuurlijke personen die een onderneming voeren, maar die vreemd zijn aan de onderneming, blijven onderworpen aan de bewijsregels die gelden in burgerlijke zaken. Dit betekent dat zelfstandige natuurlijke personen die onderneming zijn, inclusief vrije beroepen en landbouwers, enkel in het kader van die zelfstandige activiteit, maar niet in het kader van huwelijksproblemen, voor de ondernemingsrechtbank moeten verschijnen.

Boekhouding als bewijs

De boekhouding van een onderneming kan als bewijs dienen tussen ondernemingen. De vereiste dat het dan moet gaan over een ‘regelmatig’ gehouden boekhouding wordt geschrapt. Ondanks die schrapping zal het regelmatig karakter van de boekhouding een rol blijven spelen als de rechter de bewijswaarde ervan beoordeelt.

De rechter kan in de loop van een geding de openlegging van de boekhouding (geheel of gedeeltelijk) bevelen. Hij kan dat ambtshalve doen of op vraag van een partij. Hij kan hierbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de stukken te waarborgen. Beperkingen aan de mogelijkheden van de rechter zijn niet langer voorzien.

De boekhouding is geen bewijs tegen personen die geen onderneming zijn, behalve de bepalingen inzake de eed.

Factuur als bewijs

De bewijswaarde van de factuur is uitgebreid tot alle soorten overeenkomsten en niet langer beperkt tot koop-verkoopovereenkomsten.
Een factuur die door een onderneming is aanvaard, levert bewijs op tegen die onderneming.

Vanaf november 2018

De hiervoor opgesomde maatregelen treden in principe in werking op 1 november 2018.
Een koninklijk besluit kan een vroegere datum vastleggen.

Read more

Minimumbezoldiging bedrijfsleiders

Een vennootschap moet minstens 45.000 euro loon betalen aan één van haar bedrijfsleiders om van het verlaagd tarief van 20 % te kunnen genieten. Als ze dat niet doet, is het standaardtarief van toepassing. Daar komt dan nog bij dat ze ook een afzonderlijke aanslag moet betalen. Deze regels gelden voor boekjaren die beginnen vanaf 1 januari 2018.

Welk verlaagd tarief?

Kleine vennootschappen betalen 20 % belasting op de eerste 100.000 euro winst.

Waarom minimumloon betalen?

De regering strijdt tegen “vervennootschappelijking”. De regering wil met andere woorden voorkomen dat ondernemers enkel om fiscale redenen een vennootschap oprichten. Terwijl het economisch logischer is als eenmanszaak te werken.

Hoeveel is het minimum?

Minstens één van de bedrijfsleiders krijgt een bezoldiging van 45.000 euro. Als het belastbaar inkomen lager is dan 45.000 euro, betaalt de vennootschap minstens een loon dat gelijk is aan de behaalde winst. Met belastbaar inkomen wordt hier bedoeld: het resultaat na het uitbetalen van het loon.

Voorbeeld

Een bvba heeft na aftrek van de bezoldiging aan de zaakvoerder van 15.000 euro, een belastbaar resultaat van 40.000 euro. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt dus 55.000 euro. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus 55.000/2 = 27.500 euro. De vennootschap heeft een te laag loon betaald.

Een bvba heeft na aftrek van de bezoldiging aan de zaakvoerder van 25.000 euro, een belastbaar resultaat van 25.000 euro. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt dus 50.000 euro. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus 50.000/2 = 25.000 euro. De vennootschap heeft voldoende betaald, nl. de helft van de winst.

Wat is allemaal loon?

Alle fiscale bezoldigingen tellen mee:

  • Het loon zelf.
  • Voordelen van alle aard.
  • Geherkwalificeerde huurvergoedingen (huur door de vennootschap betaald aan de bedrijfsleider, dat onder bepaalde omstandigheden deels als loon wordt beschouwd).

Voor alle bedrijfsleiders?

De bedrijfsleider met het loon moet een natuurlijk persoon zijn.

Een afzonderlijke aanslag

De voorwaarde bestond vroeger al (drempel bedroeg vroeger 36.000 euro) om van het verlaagd opklimmend tarief te kunnen genieten. Nieuw is de afzonderlijke aanslag. Vennootschappen die geen minimumbezoldiging betalen, moeten een extra belasting betalen.

De basis van de afzonderlijke aanslag is het positieve verschil tussen de wettelijke minimumbezoldiging en de hoogste effectieve bezoldiging. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedraagt 5 %. Hierop is de aanvullende crisisbijdrage van toepassing, zodat het uiteindelijke tarief 5,1 % bedraagt. Vanaf aanslagjaar 2021 wordt dat 10 %.

Voorbeeld

Een bvba betaalt een bezoldiging van 35.000 euro in plaats van 45.000 euro. Op het verschil van 10.000 euro moet de bvba 5,1 % belasting betalen. De afzonderlijke aanslag bedraagt dan 510 euro.

De afzonderlijk aanslag is wel een aftrekbare beroepskost.

Kleine vennootschappen moeten in de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting (starters) geen afzonderlijke aanslag betalen.

Andere drempel voor verbonden vennootschappen

Voor verbonden vennootschappen geldt een aparte drempel. Minstens de helft van hun bedrijfsleiders moeten dezelfde personen zijn. Voor deze vennootschappen worden de bezoldigingen die de bedrijfsleider krijgt van de verschillende vennootschappen, samengeteld. De (totale) minimumbezoldiging wordt dan 75.000 euro.

Read more

Voorafbetalen in 2018

Ondernemingen die onvoldoende voorafbetalingen doen, worden daarvoor bestraft. Ze moeten een belastingvermeerdering betalen. Vanaf dit jaar, wil de regering voorafbetalen nog meer aanmoedigen. Het vermeerderingspercentage bedraagt vanaf nu in de vennootschapsbelasting minstens 6,75 %.

Moet u voorafbetalen?

U moet voorafbetalen als u winsten of baten behaalt. Dat wil zeggen dat ondernemers, vrije beroepers en alle vormen van vennootschappen voorafbetalingen moeten doen.

Wanneer moet u voorafbetalen in 2018?

Als u uw boekjaar afsluit op 31 december 2018, moet u ten laatste voorafbetalen op:

  • voorafbetaling 1: 10 april 2018
  • voorafbetaling 2: 10 juli 2018
  • voorafbetaling 3: 10 oktober 2018
  • voorafbetaling 4 : 20 december 2018.

Vermeerderingspercentage stijgt

Het vermeerderingspercentage is gelijk aan 2,25 keer de basisrentevoet. De basisrentevoet is de interestvoet van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het belastbare tijdperk. De minimale basis is vanaf dit jaar 3 %. Dat betekent dat het vermeerderingspercentage nu minstens 6,75 % bedraagt in de vennootschapsbelasting. In de personenbelasting blijft het percentage 2,25 %.

Hoe werkt het in de praktijk?

Stel dat uw onderneming 100.000 euro belasting verschuldigd is over de winsten die u maakt in 2018 (dat is aanslagjaar 2019). Als u geen voorafbetalingen doet, bent u de maximale vermeerdering verschuldigd => 100.000 euro x 6,75 % = 6.750 euro.
Door voorafbetalingen te doen, kan u deze potentiële vermeerdering wegwerken. Iedere voorafbetaling doet het bedrag van de vermeerdering afnemen. De eerste voorafbetaling levert het meeste op.

Voorbeeld

  • VA 1: 27.000 x 9,00 % = 2.430 euro
  • VA 2: 43.000 x 7,50 % = 3.225 euro
  • VA 3: 30.000 x 6,00 % = 1.800 euro
  • VA 4: 0 x 4,50 % = 0 euro
  • Totaal = 7.455 euro

Hiermee heeft u de vermeerdering van 6.750 euro volledig weggewerkt en zelfs meer voorafbetalingen gedaan dan nodig.

Read more

Voordelen van alle aard pc, tablet en smartphone: nieuwe bedragen vanaf 2018

Wie van zijn werkgever gratis een pc, laptop, tablet of smartphone krijgt, krijgt een voordeel van alle aard. Dat is uiteraard belastbaar. De waarde van dit voordeel wordt forfaitair vastgesteld. Vanaf 1 januari 2018 worden de forfaits aangepast om ze beter in overeenstemming te brengen met de werkelijke waarde van deze toestellen.

Aanpassing aan de werkelijkheid

De huidige forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het gratis persoonlijk gebruik van pc, laptop, tablet, smartphone en internet was dringend aan een update toe. De afgelopen jaren zijn de prijzen voor laptops en pc’s stelselmatig gezakt, de vrij hoge forfaits waren daardoor niet meer realistisch. De forfaits worden nu verlaagd, zodat ze beter aansluiten op de werkelijke waarde van de toestellen. De forfaits zullen vanaf 1 januari 2018 dan ook aanzienlijk lager zijn (het forfait zakt van 180 EUR naar 72 EUR).

Tegelijkertijd wordt er nu voor het eerst ook fiscaal een forfait ingevoerd voor het belastbaar voordeel voor een tablet of smartphone. De RSZ hanteerde al langer forfaits. Nu heeft de fiscus ook eindelijk een forfaitaire waardering van het voordeel vastgesteld. Het voordeel wordt gewaardeerd op de helft van dat van een volwaardige pc of laptop en bedraagt daarom 36 EUR.

De werkgever moet het belastbaar bedrag van het voordeel van alle aard vermelden op de individuele fiche 281.10 van de werknemer, of fiche 281.20 als het voordeel wordt toegekend aan een bedrijfsleider. Daarnaast moet de werkgever ook bedrijfsvoorheffing inhouden op het voordeel, net zoals op de andere bestanddelen van het loon.

De forfaits

Voor voordelen gekregen vanaf 1 januari 2018:

  • vaste PC of laptop: 72 EUR
  • tablet of smartphone: 36 EUR
  • kosteloos ter beschikking gestelde internetaansluiting, ongeacht of het vaste aansluiting is of een mobiele en ongeacht het aantal toestellen dat gebruik kan maken van die internetaansluiting: 60 EUR
  • kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement: 48 EUR

De forfaits gelden per toestel.

Wie meerdere van deze voordelen krijgt, moet de forfaits optellen. Wie een laptop met internetverbinding krijgt, heeft dus een voordeel van 132 EUR.

Momenteel gelden voor de RSZ nog andere bedragen. Maar deze zullen volgens de minister van Financiën worden afgestemd op de fiscale forfaits.

Read more

Autokosten vanaf 2018

De aftrekbaarheid van autokosten wordt vanaf volgend jaar aangepakt. In twee fases worden er verschillende wijzigingen doorgevoerd. De eerste fase is al voor 2018, waarin het aftrekregime in de personenbelasting gelijkgesteld wordt met die in de vennootschapsbelasting. In de tweede fase (vanaf 2020) worden de regels grondig hervormd.

2018: regels aftrekbaarheid PB = VenB

Vanaf 2018 worden de regels voor de aftrekbaarheid van autokosten van de vennootschapsbelasting doorgetrokken naar de personenbelasting. Ondernemers met een eenmanszaak zullen dus dezelfde kosten in aftrek kunnen brengen als ondernemers met een vennootschap. Dat betekent dat het algemene aftrekpercentage van 75 % plaats maakt voor een aftrekpercentage in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig.

Dat komt neer op:

  • 120 % voor een elektrische auto
  • 100 % voor een auto met een uitstoot van ten hoogste 60 g/km (benzine en diesel)
  • 90 % voor een auto met een uitstoot van 60 tot 105 (benzine en diesel)
  • 80 % voor een auto met uitstoot van 105 tot 115 (diesel) of 105 tot 125 (benzine)
  • 75 % voor een auto met uitstoot van 115 tot 145 (diesel) of 125 tot 155 (benzine)
  • 70 % voor een auto met uitstoot van 145 tot 170 (diesel) of 155 tot 180 (benzine)
  • 60 % voor een auto met uitstoot van 170 tot 195 (diesel) of 180 tot 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto met uitstoot van meer dan 195 (diesel) of meer dan 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn.

In 2017 een auto gekocht? U kan de overgangsregeling toepassen

Wie vóór 1 januari 2018 een auto kocht, kan gebruik maken van een overgangsregeling. Die komt er op neer dat de meest gunstige regeling mag worden toegepast. U zal (als zelfstandige) dus steeds recht hebben op een aftrek van minstens 75 % (bv. als u een benzinewagen met een uitstoot van 200 g/km heeft). Als de nieuwe regeling voordeliger is, kan u die al gebruiken (bv. als u een dieselwagen met een uitstoot van 80 g/km heeft, heeft u recht op een aftrek van 90 % van de kosten).

Vanaf 2020: aftrek vermindert in PB en VenB

Vanaf 2020 komt er een volledig nieuwe aanpak. De ‘schijven’ (zoals hierboven) worden geschrapt. De aftrekbaarheid zal vanaf dan met een formule worden berekend:

120 % – (0,5 % × coëfficiënt volgens brandstoftype × CO2-uitstoot)

De coëfficiënt bedraagt 1 voor auto’s met dieselmotor, 0,95 voor benzinewagens en 0,90 voor auto’s op aardgas (tot 11 fiscale pk). Het resultaat van de bewerking wordt beperkt tot 100 % en bedraagt minimaal 50 %. Voor auto’s met een uitstoot boven 200 g is de aftrek echter beperkt tot 40 %. Het tarief van 120 % verdwijnt.

Voor auto’s die vóór 2018 werden gekocht blijft dezelfde overgangsregeling bestaan, maar enkel in de personenbelasting. Concreet betekent dit dat zelfstandigen het aftrekpercentage van 75 % verder kunnen toepassen (als dat voordeliger is dan de regeling vanaf 2020).
Een andere belangrijke wijziging is dat er voor brandstofkosten vanaf 2020 geen aparte aftrekregels meer gelden. Tot dan geldt een algemeen forfait van 75 %. Vanaf 2020 wordt ook voor brandstofkosten de aftrekbaarheid volgens de formule berekend.

Read more

Een nieuw wetboek van vennootschappen: krachtlijnen van het voorstel

e staan aan de vooravond van een ingrijpende modernisering van het Belgisch vennootschapsrecht. De krachtlijnen van deze hervorming beogen een doorgedreven vereenvoudiging en een beperking van het aantal vennootschapsvormen. De hervorming zou al snel in werking treden met een vrij lange overgangsperiode.

Wetboek van vennootschappen wordt Wetboek van vennootschappen en verenigingen

De laatste fundamentele hervorming in het vennootschapsrecht dateert van de invoering van het Wetboek van vennootschappen of W.Venn. (wet van 7 mei 1999) en het koninklijk besluit van 30 januari 2001. Sindsdien is het wetboek meer dan 50 keer al dan niet ingrijpend gewijzigd, waarvan ongeveer 25% wijzigingen op grond van Europese voorschriften. Nu is het tijd voor een grondige modernisering om Belgische ondernemers een goed vennootschapsrecht aan te bieden dat hun onderneming ondersteunt en om buitenlandse ondernemers warm te maken voor een breder gebruik van de Belgische rechtsvormen.

Het voorstel van minister van Justitie Koen Geens over het voorontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en houdende diverse bepalingen is op 27 juli 2017 door de ministerraad goedgekeurd. De bedoeling is dat het nieuwe wetboek in 2019 van kracht wordt. Voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen zal een overgangsperiode van 10 jaar worden voorzien om zich aan de nieuwe regels aan te passen.

Naar 4 vennootschapsvormen

Het is de bedoeling om de bestaande structuren tot 4 vennootschapsvormen te herleiden: de maatschap, de bvba, de cvba en de nv. Daarbij zou de nv de natuurlijke rechtsvorm worden voor de genoteerde en voor de grote onderneming, terwijl middelgrote en kleine ondernemingen voor de bvba moeten kiezen.

Alle andere bestaande vormen kunnen juridisch worden teruggebracht tot deze 4 vormen. De vennootschap met sociaal oogmerk (VSO) kan haar doel (herinvestering van alle winsten) realiseren via een coöperatieve vennootschap (cvba). De landbouwvennootschap wordt omgezet in een commanditaire vennootschap (de maatschap).

De coöperatieve vennootschap blijft bestaan maar zal zich meer focussen op haar oorspronkelijke taak: de realisatie van haar gedachtengoed door personen die tegelijk vennoot en klant zijn (bv. een verbruikscoöperatieve) of leverancier (bv. een zuivelcoöperatieve).

Naast deze 4 vormen van vennootschap blijft de vzw voor verenigingen en ledenloze stichtingen bestaan. Zij worden ook als een onderneming beschouwd en mogen blijven werken voor zover ze geen winst aan hun leden of bestuurders uitkeren. Het verenigingsrecht wordt structureel geïntegreerd in één Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

De Europese vormen (IESV, SE en SCE) blijven behouden.

Flexibilisering van de bvba

Eén van de opvallendste wijzigingen is de afschaffing van de kapitaal- en kapitaalbeschermingsregels in de bvba. Het toereikend eigen vermogen wordt de regel. Men zal zelf kunnen beslissen hoeveel maatschappelijk kapitaal wordt ingebracht. Via strengere regels inzake aansprakelijkheidssancties voor bestuurders, financieel plan, enz. wordt de solvabiliteit en de liquiditeit gecontroleerd.
Door de afschaffing van het kapitaal zal wel een aantal beperkte, eerder technische ingrepen nodig zijn aan de boekhoudreglementering en de fiscaliteit.
Een bv (en cv) heeft in principe 1 bestuurder maar het bestuursorgaan kan ook uit meerdere bestuurders bestaan (ev. als college).

Tot slot. Van de hervorming wordt gebruik gemaakt om het bekendmakingssysteem voor
vennootschapsdocumentatie te vereenvoudigen en te moderniseren. Dit zou worden verwezenlijkt via een unieke overheidswebsite en door duidelijkere en soepelere taalvereisten.

Read more

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

In een eerdere bijdrage brachten we heuglijk nieuws: het tarief in de vennootschapsbelasting zal de komende jaren dalen, tot 25 % in 2020 en voor kmo’s tot 20 % op de eerste 100.000 EUR winst. Er is ook minder goed nieuws: de regering wil dat deze verlaging budgetneutraal verloopt. Daarom wordt de verlaging gecompenseerd met enkele andere nieuwe maatregelen zoals het afschaffen of beperken van enkele bestaande aftrekken.

‘Minimumbelasting’ op winst boven een miljoen euro

Winsten boven de 1.000.000 EUR kunnen niet langer volledig geneutraliseerd worden door allerlei fiscale aftrekken. De winst die de drempel van 1.000.000 EUR overschrijdt, kan maar voor 70 % verminderd worden door de volgende aftrekken:

  • vorige verliezen
  • overgedragen dbi
  • overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten
  • overgedragen NIA
  • de gewijzigde notionele interestaftrek

Dat betekent dat 30 % van de winst boven de 1.000.000 EUR sowieso belast zal worden. Die 30 % wordt daardoor in feite een minimum belastbare basis.

Voorbeeld
De nv CONSTRUCT heeft een winst van anderhalf miljoen EUR. De drempel wordt dus met 500.000 EUR overschreden. Van die 500.000 EUR kan er 70 % met de aftrekken verminderd worden. De andere 30 % (= 150.000 EUR) kan er niet door worden verminderd. Daardoor is er sowieso belasting verschuldigd op 150.000 EUR. In 2018 is dat 29,58 % (29 % + 2 % crisisbijdrage) = 44.370 EUR.

Het bedrag aan aftrekken dat door de maatregel beperkt is, zou wel kunnen worden overgedragen naar volgende jaren.

Notionele interestaftrek blijft, maar wordt aangepakt

In de wandelgangen werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek (NIA) zou gaan verdwijnen. In het zomerakkoord kondigde de regering aan dat dit niet het geval is. Wel wordt de NIA aangepakt. De aftrek zal op een nieuwe basis berekend worden: het gewogen gemiddelde van de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar.

Vrijstelling meerwaarden aandelen: naleven participatievoorwaarde

Vennootschappen zullen enkel nog van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen kunnen genieten als de participatievoorwaarde is vervuld. Deze voorwaarde houdt in dat de vennootschap een deelneming moet bezitten van minstens 10 % in het kapitaal van de vennootschap of met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR. Dezelfde voorwaarde vind je terug in het dbi-stelsel.
Het tarief van 0,4 % (0,412 % met ACB of aanvullende crisisbijdrage) op meerwaarde op aandelen die grote vennootschappen sowieso verschuldigd zijn, wordt afgeschaft.

Kapitaalvermindering: roerende voorheffing verschuldigd

Kapitaalverminderingen zullen aan de roerende voorheffing worden onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geschrapt die toeliet een kapitaalvermindering bij voorrang aan te rekenen op gestort kapitaal. Daardoor zal de vennootschap bij een kapitaalvermindering 30 % roerende voorheffing moeten inhouden op een deel van het terugbetaalde kapitaal.

Indienen van de aangifte

Vennootschappen die geen aangifte indienen, zullen vanaf 2018 sowieso worden belast op een forfaitaire minimumwinst van 40.000 EUR.

Gebrek aan voorafbetalingen wordt duurder

De basisrentevoet van de voorafbetalingen wordt tot 3 % verhoogd. Het wordt dus duurder voor vennootschappen als ze geen of onvoldoende voorafbetalingen doen.

Al deze nieuwe regels werden door de regering aangekondigd in het zomerakkoord. Ze moeten nu nog in concrete wetteksten worden vertaald. We houden u op de hoogte wanneer de volgende stappen worden genomen en welke acties u dan moet ondernemen.

 

 

Read more

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

In een eerdere bijdrage brachten we heuglijk nieuws: het tarief in de vennootschapsbelasting zal de komende jaren dalen, tot 25 % in 2020 en voor kmo’s tot 20 % op de eerste 100.000 EUR winst. Er is ook minder goed nieuws: de regering wil dat deze verlaging budgetneutraal verloopt. Daarom wordt de verlaging gecompenseerd met enkele andere nieuwe maatregelen zoals het afschaffen of beperken van enkele bestaande aftrekken.

‘Minimumbelasting’ op winst boven een miljoen euro

Winsten boven de 1.000.000 EUR kunnen niet langer volledig geneutraliseerd worden door allerlei fiscale aftrekken. De winst die de drempel van 1.000.000 EUR overschrijdt, kan maar voor 70 % verminderd worden door de volgende aftrekken:

  • vorige verliezen
  • overgedragen dbi
  • overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten
  • overgedragen NIA
  • de gewijzigde notionele interestaftrek

Dat betekent dat 30 % van de winst boven de 1.000.000 EUR sowieso belast zal worden. Die 30 % wordt daardoor in feite een minimum belastbare basis.

Voorbeeld
De nv CONSTRUCT heeft een winst van anderhalf miljoen EUR. De drempel wordt dus met 500.000 EUR overschreden. Van die 500.000 EUR kan er 70 % met de aftrekken verminderd worden. De andere 30 % (= 150.000 EUR) kan er niet door worden verminderd. Daardoor is er sowieso belasting verschuldigd op 150.000 EUR. In 2018 is dat 29,58 % (29 % + 2 % crisisbijdrage) = 44.370 EUR.

Het bedrag aan aftrekken dat door de maatregel beperkt is, zou wel kunnen worden overgedragen naar volgende jaren.

Notionele interestaftrek blijft, maar wordt aangepakt

In de wandelgangen werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek (NIA) zou gaan verdwijnen. In het zomerakkoord kondigde de regering aan dat dit niet het geval is. Wel wordt de NIA aangepakt. De aftrek zal op een nieuwe basis berekend worden: het gewogen gemiddelde van de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar.

Vrijstelling meerwaarden aandelen: naleven participatievoorwaarde

Vennootschappen zullen enkel nog van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen kunnen genieten als de participatievoorwaarde is vervuld. Deze voorwaarde houdt in dat de vennootschap een deelneming moet bezitten van minstens 10 % in het kapitaal van de vennootschap of met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR. Dezelfde voorwaarde vind je terug in het dbi-stelsel.
Het tarief van 0,4 % (0,412 % met ACB of aanvullende crisisbijdrage) op meerwaarde op aandelen die grote vennootschappen sowieso verschuldigd zijn, wordt afgeschaft.

Kapitaalvermindering: roerende voorheffing verschuldigd

Kapitaalverminderingen zullen aan de roerende voorheffing worden onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geschrapt die toeliet een kapitaalvermindering bij voorrang aan te rekenen op gestort kapitaal. Daardoor zal de vennootschap bij een kapitaalvermindering 30 % roerende voorheffing moeten inhouden op een deel van het terugbetaalde kapitaal.

Indienen van de aangifte

Vennootschappen die geen aangifte indienen, zullen vanaf 2018 sowieso worden belast op een forfaitaire minimumwinst van 40.000 EUR.

Gebrek aan voorafbetalingen wordt duurder

De basisrentevoet van de voorafbetalingen wordt tot 3 % verhoogd. Het wordt dus duurder voor vennootschappen als ze geen of onvoldoende voorafbetalingen doen.

Al deze nieuwe regels werden door de regering aangekondigd in het zomerakkoord. Ze moeten nu nog in concrete wetteksten worden vertaald. We houden u op de hoogte wanneer de volgende stappen worden genomen en welke acties u dan moet ondernemen.

Read more

Verlaging van de vennootschapsbelasting en andere fiscale maatregelen uit het begrotingsakkoord

In het begrotingsakkoord dat deze zomer door de regering werd voorgesteld, zaten traditiegetrouw weer heel wat fiscale maatregelen. Een kort overzicht.

Hervorming vennootschapsbelasting

Meest in het oog springend is de drastische verlaging van het tarief. Dat bedraagt nu nog 33 % (33,99 % met crisisbijdrage) maar wordt in twee fases verlaagd: tot 29 % in 2018 en 25 % in 2020. Ook de algemene crisisbijdrage die nu nog 3 % bedraagt, wordt afgebouwd tot 2 % in 2018 om uiteindelijk te verdwijnen in 2020. Daardoor wordt het uiteindelijke tarief 29,58 % in 2018 en 25 % in 2020.

Kmo’s kunnen al vanaf 2018 genieten van een verlaagd tarief van 20 % op de eerste 100.000 EUR van hun winst. Daar komt bij dat de groep vennootschappen die als kmo kan worden beschouwd, groter zal worden:  het tarief zal niet enkel van toepassing zijn voor vennootschappen die beantwoorden aan de criteria van artikel 215 van het WIB92, ook ‘kleine vennootschappen’ in vennootschapsrechtelijke zin zullen in aanmerking komen voor dit tarief.

Toch moeten we dit goede nieuws een beetje temperen: de hervorming zal budgetneutraal moeten verlopen. Dit betekent dat de mindere inkomsten door het verlaagd tarief, op een of andere manier gecompenseerd zullen worden.  Enkele bestaande aftrekken zal dus sneuvelen of verminderen. Zo zal onder andere de investeringsreserve verdwijnen, met een overgangsregime voor de bestaande reserves. De notionele interestaftrek blijft wel bestaan.

Sparen

Er wordt ook gesleuteld aan de vrijstelling op de eerste schijf van rente op spaarboekjes. De vrijgestelde schijf daalt van 1.880 EUR naar 940 EUR. In ruil daarvoor komt er een vrijstelling voor een eerste schijf van 627 EUR op dividenden van aandelen.

Ook het pensioensparen wordt aangepakt. Belastingplichtigen zullen kunnen kiezen om maximaal 940 EUR te sparen aan een belastingvermindering van 30 % (zoals tot nu toe kon) of meer te sparen (tot 1.200 EUR) aan een lagere belastingvermindering van 25 %.

Effectenrekening

Ook de belasting op effectenrekeningen komt er. Deze ‘abonnementstaks’ zal 0,15 % bedragen en is verschuldigd door wie meer dan  500.000 EUR op een dergelijke rekening heeft staan.

Uitbreiding tax shelter voor starters

De regering wil ook investeringen in risicodragend kapitaal verder blijven aanmoedigen. Daarom wordt de tax shelter (eigenlijk een belastingvermindering) voor wie investeert in startende ondernemingen ook uitgebreid naar wie investeert in groeibedrijven. Het gaat om investeringen waarvoor de investeerder aandelen in ruil krijgt.

Strijd tegen fraude

In de strijd tegen belastingfraude, wordt de kaaimantaks verstrekt en de efficiëntie ervan verbeterd, door o.a. dubbelstructuren aan te pakken en ook feitelijke verenigingen in de maatregel te betrekken.

Flexijobs

Het toepassingsgebied voor flexijobs, tot nu toe enkel voor de horeca, wordt verruimd. Bijklussen via een flexijob zal vanaf nu o.a. ook kunnen in een krantenwinkel, bakkerij of kapsalon. Verder wordt aan de voorwaarden niet gemorreld: de flexijobs blijven dus enkel openstaan voor wie al minstens 4/5 werkt.

Daarnaast zal ook belastingvrij bijverdienen (tot 500 EUR per maand) mogelijk worden voor specifieke functies in de non-profitsector. Deze mogelijkheid staat open voor wie al 4/5 werkt of gepensioneerd is.

Read more

Nieuwe administratieve commentaar aanslag geheime commissielonen

Over de aanslag geheime commissielonen is er de laatste jaren al heel wat inkt gevloeid. Volgens de wetgever mag de aanslag nog enkel in uitzonderlijke gevallen opgelegd worden. In een circulaire uit 2015 ging de fiscus toch enigszins in tegen de soepelere houding van de wetgever. In een nieuwe circulaire verduidelijkt de fiscus zijn standpunt en past het aan de visie van de minister aan.

De aanslag geheime commissielonen sinds aanslagjaar 2015

Sinds aanslagjaar 2015 is de aanslag geheime commissielonen veel minder streng. De aanslag heeft volgens de fiscale wetgever geen bestraffend, maar enkel nog een vergoedend karakter. Bovendien mag de aanslag enkel nog in uitzonderlijke gevallen worden opgelegd.

Deze filosofie wordt vertaald in de regel dat er geen bijzondere aanslag wordt opgelegd…

  • als het inkomen wordt opgenomen in een tijdige aangifte door de genieter. Dat mag zowel een Belgische als een buitenlandse aangifte zijn;
  • als de genieter binnen twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffende aanslagjaar op ondubbelzinnige wijze kan worden geïdentificeerd.

Tegelijkertijd werden de tarieven grondig verminderd. De ‘monsterboete’ verminderde van 309 % naar 103 % (betalingen aan natuurlijke personen waarvoor geen fiches werden opgemaakt) of 51,50 % (betalingen aan rechtspersonen).

De afzonderlijke aanslag blijft als beroepskost aftrekbaar met uitzondering van in het zwart uitbetaalde lonen.

Administratie volgt versoepeling niet (helemaal)

Kort na de wetswijziging kwam de fiscus al met een circulaire, die de nieuwe soepelere houding grotendeels naast zich neerlegde. Meest opvallend in de circulaire is de interpretatie van de uitzondering van de ondubbelzinnige identificatie. Volgens de fiscus sluit die identificatie de bijzondere aanslag enkel uit bij een uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de genieter van de inkomsten om alsnog belast te worden. Deze voorwaarde staat niet in de wet en wordt door de fiscus onterecht toegevoegd.

Daarnaast schrijft de fiscus dat het tarief van 51,5 % voor betalingen aan rechtspersonen enkel geldt wanneer de vennootschap kan aantonen dat de uiteindelijke verkrijger een rechtspersoon is. Eigenlijk vraagt de administratie hiermee dat de vennootschap bewijst dat de rechtspersoon het ontvangen geheim commissieloon niet verder heeft doorgegeven aan een natuurlijk persoon. Maar ook deze verstrenging staat niet in de wet.

Nieuwe circulaire in 2017: een nieuwe visie?

In april 2017 heeft de fiscus opnieuw een circulaire over dit onderwerp gepubliceerd.

De administratie verwijst daarin nog steeds naar het schriftelijk akkoord van de genieter. Gelukkig wordt er deze keer wel genuanceerd, door het opnemen van het woordje “bijvoorbeeld”. Een ondubbelzinnige identificatie kan “bijvoorbeeld” door een schriftelijk akkoord van de genieter. Dat ene woordje, betekent echter dat een schriftelijk akkoord maar één manier is voor een ondubbelzinnige identificatie. Er bestaan dus ook andere mogelijkheden. Daarmee is het schriftelijk akkoord niet langer absoluut noodzakelijk. De fiscus heeft zo zijn standpunt aangepast aan de visie die de minister van Financiën al eerder had verdedigd in de Kamer.

De circulaire bevestigt dat de aanslag als beroepskost aftrekbaar blijft, maar voegt er wel aan toe dat als er valse of fictieve facturen worden gebruikt om sommen te onttrekken aan de vennootschappen, die niet verantwoorde kosten in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen.

Read more