Archives for Administration

Wat wijzigt er voor de maatschap?

Door de hervorming van het ondernemingsrecht (wet van 15 april 2018) wijzigen er enkele regels en verplichtingen voor maatschappen. Zo wordt de maatschap boekhoudplichtig en moet ze zich inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De nieuwe regels zijn in voege sinds 1 november jl.

Maatschap = onderneming

De wet van 15 april 2018 definieert een onderneming als:

“elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze
een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”

Deze nieuwe algemene definitie voor alle actoren die economisch actief zijn, gebruikt formele criteria in plaats van het materiële criterium (uitoefening van een economische activiteit).

Tot de nieuwe algemene ondernemingsdefinitie behoort:

  • elke natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent (bv. natuurlijke personen die als handelaar, ambachtsman, beoefenaar van een vrij beroep of bestuurder van vennootschappen werken).
  • elke rechtspersoon, met uitzondering van de publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten op de markt aanbieden. Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, zoals de NV, BVBA en VOF, zijn en blijven dus ondernemingen. Nieuw is dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals de verenigingen en stichtingen, ook als onderneming gekwalificeerd worden, zelfs als ze geen economisch doel nastreven.
  • elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Daarbij denken we in de eerste plaats aan … de maatschap!

De maatschap wordt opgericht bij contract waarbij twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen (inbreng) met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen. De maatschap kan (kon) een burgerlijk doel (bv. behoud en beheer van een familiaal onroerend goed of het familiaal vermogen; samenwerkingsverbanden tussen vrije beroepen) of een handelsdoel hebben. De burgerlijke maatschap werd vroeger niet als een ‘onderneming’ beschouwd.

Nieuwe verplichting: inschrijving in KBO

Omdat maatschappen voortaan ook als ondernemingen beschouwd worden, gelden er nieuwe verplichtingen voor hun zaakvoerders.
Vanaf 1 november 2018 moeten nieuwe maatschappen zich voor de aanvang van hun activiteit registreren bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), via een ondernemingsloket. Bestaande maatschappen hebben nog tijd tot uiterlijk 30 april 2019 voor de registratie in de KBO (tenzij de Koning die datum zou vervroegen). Net zoals een vennootschap ontvangt de maatschap dan een ondernemingsnummer.
De inschrijving in de KBO als inschrijvingsplichtige onderneming geldt, behoudens tegenbewijs, als vermoeden van de hoedanigheid van onderneming.

Nieuwe verplichting: boekhouding voeren

Afhankelijk van hun omzet moeten maatschappen een enkelvoudige of dubbele boekhouding voeren. Als de omzet van de maatschap over het laatste boekjaar minder bedraagt dan 500.000 euro (excl. btw), kan ze het vereenvoudigd schema toepassen. Als de omzet meer bedraagt dan 500.000 euro, wordt een volledige dubbele boekhouding verplicht. Wellicht volstaan kleine ingrepen om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen omdat veel maatschappen al een eenvoudige boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen.

In principe geldt de nieuwe verplichting vanaf 1 november 2018. Bestaande maatschappen moeten pas aan deze verplichting voldoen vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 november 2018 (d.i. na 30 april 2019). Voor de maatschappen die een boekjaar voeren volgens het kalenderjaar betekent dit het jaar 2020 (behoudens andere datum bij koninklijk besluit).
Voorlopig geldt geen publicatieverplichting.

 Nieuwe verplichting: alle maten hoofdelijk aansprakelijk

De maten (vennoten) zijn persoonlijk onbeperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de zaakvoerder. In een commerciële maatschap zijn de maten hoofdelijk gehouden; in een burgerlijke maatschap zijn de maten elk voor gelijke delen gehouden. Dit was de regel. Omdat het onderscheid tussen commerciële en burgerlijke maatschappen wordt opgeheven, breidt het aansprakelijkheidsregime uit. Alle maten zijn voortaan hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de maatschap. Dit wordt de regel.

De kwalificatie van iedere maatschap als onderneming heeft nog een ander gevolg: de ondernemingsrechtbank (de voormalige rechtbank van koophandel) is bevoegd voor alle geschillen tussen maatschappen en/of andere ondernemingen.

Terminologische aanpassing

Tot slot. De maatschap zal niet langer société de droit commun heten in het Frans, maar wel société simple.

 

Read more

Vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid nu ook in bouwsector

Werkgevers zijn in principe verplicht de bedrijfsvoorheffing die ze inhouden op de bezoldiging van hun personeel door te storten aan de Schatkist. Op deze verplichting bestaan verschillende uitzonderingen. Bijvoorbeeld voor ploegenarbeid in bepaalde sectoren. De vrijstelling voor ploegenarbeid geldt nu ook in de bouwsector.

Verplichting tot doorstorting en vrijstelling

Ondernemingen houden bedrijfsvoorheffing in op het loon van hun werknemers. Deze voorheffing storten ze door aan de Schatkist. In de loop der jaren heeft de wetgever allerlei vrijstellingen ingevoerd, waarbij de werkgever de bedrijfsvoorheffing wel inhoudt, maar niet doorstort. De werkgever mag dan onder bepaalde voorwaarden de ingehouden zelf behouden.

Ploegen- en nachtarbeid

Voor ploegen- en nachtarbeid bestaat er al een vrijstelling. Die was tot nu toe alleen van toepassing op opeenvolgende ploegen. Dit had tot gevolg dat in de praktijk alleen ploegenarbeid in de industrie van de vrijstelling genoot. De voorwaarde van opeenvolgende ploegen is nu geschrapt voor werken in onroerende staat zoals bedoeld in de btw. Daardoor komt de bouwsector nu ook in aanmerking. De maatregel treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2018.

De ploegenarbeid mag op locatie (lees: op een werf) plaatsvinden. Een ‘ploeg’ moet uit minstens twee werknemers bestaan die hetzelfde of complementair werk doen.

Vrijstelling van 3 %

Het vrijstellingspercentage bedraagt 3 % van de bezoldiging. Vanaf 1 januari 2019 stijgt het percentage tot 6 %, en vanaf 1 januari 2020 stijgt het nog verder tot 18 %.

Nieuw (voor de industrie en de bouwsector) is dat het bedrag dat de werkgever moet inhouden, maar zelf mag bijhouden, wordt berekend op niveau van de groep van alle werknemers die in aanmerking komen. Dit betekent dat als de effectief in te houden bedrijfsvoorheffing lager is dan het vrijstellingspercentage, het verschil mag worden afgehouden bij een ander personeelslid.

Voorbeeld
In de industrie bedraagt het vrijstellingspercentage momenteel 22,8 %.
Werkgever A heeft twee werknemers X en Y:

  • Werknemer X heeft een loon van 100. Volgens de barema’s van de bedrijfsvoorheffing moet zijn werkgever hierop 20 % bedrijfsvoorheffing inhouden. Het vrijstellingspercentage waarop A recht heeft bedraagt echter 22,8 %. Er gaat dus eigenlijk 2,8 ‘verloren’ omdat die niet wordt benut.
  • Werknemer Y heeft eveneens een loon van 100, maar bij hem moet volgens de barema’s 25 % bedrijfsvoorheffing worden ingehouden. Daarvan mag de werkgever 22,8 voor zich houden. Dan blijft er nog 2,2 over die in principe moet worden doorgestort aan de Schatkist. Met die 2,2 mag A de 2,8 die bij X verloren ging, compenseren. Daardoor loopt de vrijstelling voor A nu op tot 45 (20 voor X + 22,8 voor Y + 2,2 doorgeschoven) in plaats van 42,8 (20 bij X + 22,8 voor Y). De werkgever verwerft dus een grotere vrijstelling.

Alleen de laatste 0,6 (2,8 – 2,2) gaat nog verloren en moet A aan de Schatkist doorstorten.

Voorwaarde: minimumloon ploegenarbeider

De vrijstelling telt alleen voor werknemers met een bruto-uurloon van ten minste 17,42 euro (geïndexeerd bedrag voor aj. 2019).

Niet voor eenmalige betalingen

De vrijstelling is niet van toepassing op:

  • Uitbetalingen die maar één keer per jaar gebeuren, zoals vakantiegeld en eindejaarspremie.
  • Achterstallige bezoldigingen.
  • Bijkomende premies.

Waarom uitbreiding naar bouwsector?

De schrapping gebeurde specifiek om ploegenarbeid in de bouwsector fiscaal interessanter te maken. De regering wil hiermee:

  • De loonkost verminderen.
  • Sociale dumping tegengegaan.
  • Zwart werk doen afnemen.

 

Read more

Onroerende verhuur vanaf 1 januari 2019

Vanaf 1 januari 2019 kunnen belastingplichtigen er voor kiezen om bij onroerende verhuur btw aan te rekenen. Wij brengen de principes nog even terug in herinnering.

Huurder en verhuurder kiezen voor toepassing btw

Huurder en verhuurder kiezen samen om de onroerende verhuur aan btw te onderwerpen. De verhuurder gebruikt het goed voor zijn economische activiteit (ook een btw-plichtige met een vrijgestelde activiteit, bv. een dokter komt als huurder in aanmerking).

Kiezen de twee partijen ervoor om hun verhuur te onderwerpen aan btw, dan geldt deze optie voor de gehele duur van de huurovereenkomst. Bij het afsluiten van een nieuwe huurovereenkomst of bij een verlenging van een bestaande overeenkomst, beslissen de partijen dan opnieuw of ze de verhuur aan btw willen blijven onderwerpen.

1 oktober 2018 is cruciale datum

De nieuwe regels treden in werking op 1 januari 2019. Maar 1 oktober 2018 is een cruciale datum. Btw toepassen kan immers alleen voor nieuwe gebouwen of vernieuwbouw waarbij de btw opeisbaar is geworden vanaf 1 oktober 2018. Dat betekent in feite dat er voor die datum nog geen factuur is uitgereikt en/of nog geen voorschot is betaald.

Ook voor deel gebouw

Ook de verhuur met btw van een gedeelte van een gebouw is mogelijk. Een gedeelte van een gebouw is een gedeelte dat economisch zelfstandig geëxploiteerd kan worden (bv. verhuurd of gebruikt) en dat rechtstreeks van buitenaf toegankelijk is.

Uitzondering 1: kortdurende verhuur altijd met btw

Een verhuur voor een periode die niet meer dan zes maanden bedraagt, is een kortdurende verhuur. Hierop is in principe altijd btw verschuldigd.

Het zou België niet zijn als er geen uitzondering op de uitzondering bestond. Een korte verhuur wordt niet verplicht aan btw onderworpen:

  • Wanneer het goed voor bewoning wordt gebruikt.
  • Wanneer de huurder een natuurlijke persoon is die het goed alleen privé gebruikt.
  • Als de huurder een vzw is.
  • Als het goed wordt gebruikt voor sociale en culturele activiteiten.

Uitzondering 2: altijd btw voor…

Er wordt altijd btw aangerekend op verhuur van …

  • Parkeerruimte voor voertuigen.
  • Gemeubeld logies in hotels, motels, enz.
  • Blijvend geïnstalleerde machines.

Uitzondering 3: opslaan van goederen

Voor gebouwen bestemd voor het opslaan van goederen gelden bijzondere regels:

  • Verhuur van magazijnen en opslagruimtes met btw ook voor bestaande gebouwen: de regel dat alleen nieuwe gebouwen waarvoor de btw opeisbaar is geworden na 1 oktober 2018 in aanmerking komen, geldt hier niet. Verhuur van magazijnen met btw is dus makkelijker.
  • Vandaag is de verhuur van opslagruimtes al een uitzondering op de vrijgestelde verhuur. Dus ook nu al is er btw op verschuldigd. Die uitzondering wordt vanaf 1 januari 2019 alleen nog toegepast als de optie ‘verhuur met btw’ niet kan worden gekozen, bv. omdat de huurder een particulier is.
  • De 10 %-regel die bepaalt dat maximaal 10 % van het magazijn als kantoor voor voorraadbeheer wordt gebruikt, wordt geschrapt. Het volstaat dat het gebouw voor meer dan 50 % wordt gebruikt voor het opslaan van goederen om een opslagruimte te zijn. Er komt wel een nieuwe beperking: de opslagruimte wordt maximaal voor 10 % gebruikt als verkoopruimte.

Read more

Hervorming vennootschapsbelasting: voorbereiden op volgende fases

In aanslagjaren 2019 en 2020 treden de volgende fases van de hervorming vennootschapsbelasting in werking. We brengen u de komende wijzigingen in herinnering en wijzen erop hoe u zich nu al kunt voorbereiden op de inwerkingtreding van de compenserende maatregelen. Zo verzacht u de impact ervan.

Voorziening voor risico’s en kosten aanleggen wordt moeilijker

Belastingvrij een voorziening voor risico’s en kosten aanleggen, is vanaf aanslagjaar 2019 alleen nog mogelijk als ze betrekking heeft op wettelijke, contractuele en/of reglementaire verplichtingen. Deze strengere aanpak geldt voor nieuwe voorzieningen en vanaf 2019 gedane toevoegingen aan reeds bestaande voorzieningen.

Voorzieningen die de vennootschap vrijwillig aanlegt, komen niet meer aanmerking, bv. (in de meeste gevallen) voorzieningen voor herstellings- en onderhoudswerken. Een mogelijke oplossing is het aangaan van een raamovereenkomst met een aannemer, waardoor er wel een contractuele verplichting ontstaat.

Belasting op meerwaarden op aandelen: anders investeren

Meerwaarden op kleine deelnemingen (minder dan 10 %, of aanschaffingswaarde van minder dan 2,5 miljoen euro) worden vanaf aanslagjaar 2019 belast tegen het gewone vennootschapsbelastingtarief. Voor aandelen in beleggingsvennootschappen gelden de participatievoorwaarde (de minimumdeelneming) en de permanentievoorwaarde (aandelen minstens één jaar ononderbroken houden) niet. Uw investeringen herbekijken is dus aangewezen. Investeren in een dbi-bevek is een interessant alternatief.

Aftrekbeperking counteren met belastingkrediet onderzoek en ontwikkeling

Van aanslagjaar 2020 worden de ‘bewerkingen’ hervormd. Het gebruik van enkele aftrekken wordt beperkt tot 1 miljoen euro, verhoogd met 70 % van de winst boven het miljoen. Daardoor zal er 30 % van de winst boven het miljoen altijd belast worden. De facto bestaat er zo een minimumbelasting.

De aftrekbeperking geldt voor:

  • vorige verliezen,
  • overgedragen dbi-aftrek,
  • overgedragen innovatieaftrek,
  • notionele interestaftrek van het boekjaar,
  • overgedragen notionele interestaftrek van voorgaande boekjaren.

Voor de andere aftrekken (van het boekjaar zelf) geldt de aftrekbeperking niet.
Door de aftrekbeperking (bv. van de vorige verliezen) kan het interessant zijn om de investeringsaftrek voor O&O om te zetten in een verrekenbaar belastingkrediet. Zo kan de vennootschap bv. haar vorige verliezen beter laten renderen. Om precies te weten of de vennootschap er voordeel bij heeft, moeten beide scenario’s naast elkaar gelegd worden. Een vereenvoudigd voorbeeld om te verduidelijken.

Voorbeeld

In 2019 heeft NV INVEST:

  • 2,1 miljoen euro winst.
  • 3 miljoen vorige verliezen.
  • 000 euro investeringsaftrek.
  • Er zijn geen andere aftrekken.

Als INVEST haar investeringsaftrek gebruikt, wordt de belastbare winst gereduceerd tot 1,6 miljoen euro (2,1 miljoen winst – 0,5 miljoen investeringsaftrek). Dit heeft een onmiddellijke impact op de bruikbaarheid van de vorige verliezen. Het eerste miljoen kan volledig gebruikt worden. Van het overige verlies is slechts 600.000 (winst boven het miljoen) × 70 % = 420.000 euro aftrekbaar. In totaal kan INVEST 1.420.000 euro vorige verliezen gebruiken. Zo komt INVEST op een belastbaar resultaat van 180.000 euro = 2,1 miljoen – 500.000 investeringsaftrek – 1.420.000 vorige verliezen. Aan het tarief van 29,58 % komt dat neer op een belasting van 53.244 euro.

Als INVEST haar investeringsaftrek niet gebruikt, maar omzet in een belastingkrediet van 147.900 euro (= 29,58 % van 500.000 euro), ziet het plaatje er anders uit. De bruikbaarheid van vorige verliezen wordt op een hogere basis berekend: het eerste miljoen kan volledig gebruikt worden. Van het overige verlies is 1.100.000 (winst boven het miljoen) × 70 % = 770.000 euro aftrekbaar. INVEST komt dan uit op een belastbaar resultaat van 2,1 miljoen – 1.770.000 euro = 330.000 euro. Hierop is 29,58 % = 97.614 euro belasting verschuldigd. Maar dat wordt tot 0 gereduceerd omdat INVEST haar belastingkrediet nog kan gebruiken. INVEST heeft dan zelfs nog 50.286 euro belastingkrediet over (147.900 – 97.644) om de volgende jaren te gebruiken.

Read more

Pensioensparen: kiezen voor 960 of 1.230 euro?

Sinds dit jaar kunt u kiezen om een hoger bedrag te pensioensparen, tot 1.230 euro. Als u daarvoor kiest, krijgt u relatief wel een lager voordeel. De vermindering zakt van 30 % tot 25 % van het gespaarde bedrag. U moet er dus wel goed over nadenken. En er uitdrukkelijk voor kiezen.

Lager of hoger bedrag sparen?

Doet u aan pensioensparen? Vanaf 2018 kunt u kiezen tussen twee maximumbedragen:

  • U kunt tot 960 euro sparen (bedrag voor aj. 2019, sparen in 2018) aan 30 % wat u uiteindelijk een belastingvermindering van 288 euro
  • U kunt tot 1.230 euro sparen (bedrag voor aj. 2019, sparen in 2018) aan 25 % wat u uiteindelijk een belastingvermindering van 307,50 euro

Dit systeem noemen we duaal pensioensparen.

Eén euro meer sparen dan 960 euro = vermindering aan 25 %

Let op: als u 961 euro spaart, valt u automatisch terug op de belastingvermindering aan 25 %. Dat houdt in dat een belastingplichtige die 961 euro spaart een kleiner voordeel krijgt dan de belastingplichtige die 960 euro spaart.

Een voorbeeld:

  • U spaart minder dan het laagste maximum, bv. 900 euro = uw belastingvermindering bedraagt 30 % van 900 = 270 euro.
  • U spaart meer dan het laagste maximum, maar minder dan het hoogste maximum, bv. 1.000 euro = uw belastingvermindering bedraagt 25 % van 1.000 = 250 euro. U spaart dus meer, maar krijgt een lager voordeel.
  • U spaart 1.152 euro = uw belastingvermindering bedraagt 25 % van 1.152 = 288 euro.
    Dit is gelijk aan de vermindering die u krijgt als u het laagste maximum spaart (960 euro aan 30 %).

Wat kunnen we hieruit leren? Als u kiest om meer dan 960 euro te sparen, kunt u best het hoogste bedrag sparen. En op zijn minst 1.152 euro. Anders krijgt u voor meer sparen, een kleiner fiscaal voordeel.

Uitdrukkelijk kiezen

Het is dus nadelig als u meer dan 960 euro maar minder dan 1.152 euro spaart. Wanneer u meer spaart dan 960 euro, zal uw bank u contacteren om u er op te wijzen dat uw belastingvermindering naar 25 % zal zakken. U moet dan bevestigen dat u er voor dat jaar voor kiest om meer dan 960 euro te sparen. U moet er dus uitdrukkelijk voor kiezen. Doet u dit niet, dan stort de bank wat u boven de 960 euro spaarde terug. De wetgever wil hiermee vermijden dat spaarders voor een verrassing komen te staan en minder voordeel krijgen voor meer sparen.

De keuze moet u jaarlijks opnieuw bevestigen. U kunt dat ook nu nog doen. U kunt, met andere woorden, nu nog aan uw bank laten weten dat u voor 2018 meer dan 960 euro wilt sparen. Let op: eens de keuze gemaakt voor een bepaald jaar, kunt u er niet meer op terugkomen.

Read more

Belastingvrij bijklussen

Sinds 15 juli kunt u onbelast bijverdienen tot 6.130 euro per jaar, met een maximum van 510,83 euro per maand. Let op het gaat om bij-verdienen. Dit fiscaal gunstregime telt enkel voor wie al een hoofdberoep heeft, en voor gepensioneerden.

Wie mag bijverdienen?

U kunt onbelast bijklussen als u…

  • Werknemer bent en minstens 4/5 werkt.
  • Zelfstandige bent in hoofdberoep.
  • Gepensioneerd bent.

Hoeveel bijverdienen?

U mag maximum 6.130 euro per jaar bijverdienen (bedrag voor aj. 2019, basisbedrag 3.830 euro). Per maand mag u maximaal 510,83 euro bijverdienen (voor aj. 2019, basisbedrag 319 euro). Werkt u in een seizoensgebonden sector dan wordt het maandelijks maximum opgetrokken tot iets meer dan 1.000 euro (het jaarlijks maximum blijft 6.130 euro).

Welke activiteiten?

U kunt bijverdienen in één van de volgende sectoren: verenigingswerk, diensten van burger tot burger en de deeleconomie (die al langer van een gunstregime genoot).

Verenigingswerk omvat diensten voor socioculturele verenigingen zonder winstoogmerk. Het gaat onder meer om gidsen, animators, sporttrainers. Let op verenigingswerk is niet hetzelfde als onbetaald vrijwilligerswerk (waarvoor een vrijwilliger alleen een onkostenvergoeding krijgt).

Diensten van burger tot burger zijn niet-professionele diensten die u verricht voor een andere particulier. Alleen occasionele diensten zijn toegelaten (elke week het gras van de buren afrijden valt er bv. niet onder). Het gaat om diensten als:

  • kinderoppas,
  • bijles geven,
  • kleine onderhoudswerken,
  • hulp bij administratie,
  • kleine IT-problemen oplossen.

In de deeleconomie verleent u diensten via een erkend onlineplatform. Dit regime bestond al langer. De bestaande regels blijven gelden, maar het huidige maximumbedrag van 5.000 euro wordt opgetrokken tot 6.130 euro.

Het maximumbedrag telt voor de drie categorieën samen.

De overheid heeft de site www.bijklussen.be opgezet met meer info. Wilt u aan de slag dan vindt u daar meer info. U kunt zich er ook als dienstverlener registreren. Als u een job heeft voor een klusser, kunt u ook daar terecht.

Beroepsverenigingen naar Grondwettelijk Hof

De Boerenbond en Unizo vinden dat de Bijkluswet oneerlijke concurrentie veroorzaakt tegenover de activiteiten van hun leden. Beide verenigingen stappen naar het Grondwettelijk Hof om de wet te laten vernietigen.

Read more

Fiscale bemiddelingsdienst kan nu ook boetes kwijtschelden

De fiscale bemiddelingsdienst is een onafhankelijke dienst die bemiddelt bij geschillen tussen de belastingplichtige en de fiscus. Binnenkort krijgt de dienst er nog een extra taak bij: kwijtschelden en verminderen van fiscale boetes.

Van minister naar fiscale bemiddelingsdienst

De bevoegdheid om boetes en belastingverhogingen kwijt te schelden behoort al sinds 1831 toe aan de minister van Financiën. Nu gaat deze bevoegdheid over naar een nieuw departement van de fiscale bemiddelingsdienst: de Cel Administratieve Sancties of CAS. Uiterlijk op 1 januari 2019 neemt de dienst deze taak over.

Boetes kwijtschelden of verminderen

De CAS kan boetes en belastingverhogingen kwijtschelden of verminderen die worden opgelegd omwille van een overtreding van het wetboek inkomstenbelastingen (WIB92) of één van haar uitvoeringsbepalingen (bv. KB/WIB92). De CAS is niet bevoegd voor boetes in verband met onroerende voorheffing in Vlaanderen en Brussel, omdat de FOD Financiën daarvoor de dienst niet meer uitmaakt.

Vallen ook onder de bevoegdheid van de bemiddelingsdienst:

  • Boetes en belastingverhogingen betreffende de met de inkomsten gelijkgestelde belastingen (MIGB) zoals de belasting op de automatische ontspanningstoestellen en de belasting op spelen en weddenschappen.
  • Boetes en belastingverhogingen betreffende de wet diverse rechten en taksen (WDRT), zoals rechten op geschriften (gerechtsdeurwaarders en notarissen), de taks op beursverrichtingen en de taks op effectenrekening.
  • Let op: door de regionalisering nemen de gewesten steeds meer de dienst over van deze belastingen. Wanneer dat gebeurt, is de CAS niet meer bevoegd.

Andere ambtenaren bevoegd voor btw en registratierechten

Eigenlijk was het de bedoeling de bevoegdheid om te oordelen over kwijtschelding/vermindering van boetes en belastingverminderingen bij één instantie te centraliseren. Dat is niet helemaal gelukt. Zo blijven btw en registratierechten buiten de bevoegdheid van het CAS.

Alleen voor definitieve boetes

Alleen definitieve boetes of belastingverhogingen komen in aanmerking voor kwijtschelding/vermindering. Als u een bezwaar hebt ingediend bij de administratie of een geschil voor de rechtbank heeft gebracht, moet u op een beslissing of vonnis wachten.

CAS kijkt naar financiële toestand belastingplichtige

Het CAS kijkt niet naar de wettigheid of gegrondheid van de boete. De dienst houdt alleen maar rekening met uw financiële toestand. Op basis daarvan oordeelt de dienst of er reden is om de boete te verminderen/kwijtschelden.

Wanneer is kwijtschelding niet mogelijk?

U kunt geen kwijtschelding krijgen:

  • Als u al een onbeperkt uitstel van de invordering hebt gekregen.
  • Als u zich in een collectieve schuldenregeling bevindt.
  • Als u zich in een gerechtelijke reorganisatie bevindt.

Hoe een verzoek indienen?

Hoe u precies een verzoek bij het CAS moet indienen, wordt later nog bij KB vastgelegd. Allicht zal het gebeuren via een grondig gemotiveerd verzoekschrift.

Beslissing van het CAS

Een college van het CAS beslist bij meerderheid van het quorum van de collegeleden. Zij hebben toegang tot alle applicaties en databanken van de FOD financiën. Zij kunnen de kwijtschelding aan het naleven van voorwaarden verbinden, bv. een betaalplan.

Juridisch blijft de sanctie zelf bestaan. De fiscus vordert alleen de boete niet langer in. Dit betekent dat eventuele nalatigheidsinteresten wel verschuldigd blijven tot de datum van beslissing van de CAS.

 

Read more

Hervorming vennootschapsrecht: waar staan we vandaag?

Hervorming vennootschapsrecht: waar staan we vandaag?

Minister van Justitie Koen Geens werkt al enkele jaren aan een nieuw wetboek van vennootschappen. Dit is oud nieuws. Het voorontwerp is intussen aangepast aan het advies van de Raad van State en goedgekeurd in tweede lezing door de Ministerraad. Op 4 juni jl. is het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) ingediend bij de Kamer. Dit is het laatste nieuws.

Wetboek van vennootschappen en verenigingen

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) vervangt het bestaande Wetboek van vennootschappen (W.Venn.), de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen (vzw-wet) én de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen.
De modernisering van ons vennootschapsrecht is opgebouwd rond 3 krachtlijnen.

Krachtlijn 1: een doorgedreven vereenvoudiging

  • afschaffing van het onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden en tussen burgerlijke en handelsvennootschappen;
  • integratie van het vennootschaps- én het verenigingsrecht in één enkel wetboek;
  • afschaffing van de publieke vennootschappen en beperking van de regels voor genoteerde vennootschappen;
  • beperking van het aantal vennootschapsvormen;
  • beperking van het aantal strafbepalingen. Voorkeur voor burgerlijke sancties (zoals bestuurdersaansprakelijkheid, nietigheid of andere specifieke sancties).

Krachtlijn 2: een verregaande flexibilisering

Besloten vennootschap (BV) = vennootschap met beperkte aansprakelijkheid maar zonder kapitaal

  • afschaffing van het concept maatschappelijk kapitaal;
  • opheffing van het strikte verband tussen de waarde van de inbrengen en de rechten die in ruil daarvoor aan de vennoten worden toegekend, met de dwingende regel dat elk aandeel dezelfde rechten moest geven;
  • herformulering van een aantal regels door de afschaffing van het kapitaalconcept, waaronder de voorschriften over verkrijging van eigen aandelen, financiële steunverlening, de alarmbelprocedure, de verplichte verantwoording en waardebepaling van de inbrengen in natura;
  • focus op de verantwoording van de uitgifteprijs van nieuwe aandelen, met een veralgemeende en explicietere verantwoordingsplicht van het bestuur;
  • vrije regeling van de overdraagbaarheid van aandelen zodat men van de BV een zeer gesloten maar ook een zeer open vennootschap kan maken.

Naamloze vennootschap (NV) = kapitaalvennootschap met 3 mogelijke bestuursmodellen

  • de dwingende regel van de ad nutum herroepbaarheid van de bestuurders wordt van aanvullend recht;
  • de NV zal in de toekomst een ‘enige bestuurder’ kunnen aanstellen die alleen om wettige reden kan worden ontslagen in tegenstelling tot de klassieke (collegiale) raad van bestuur nu;
  • een duaal bestuursmodel kan in de plaats komen van het directiecomité;
  • het huidige directiecomité (art. 1524bis W.Venn.) wordt afgeschaft;
  • een genoteerde NV kan statutair in een (ten hoogste) dubbel stemrecht voorzien voor trouwe aandeelhouders; terwijl in de niet-genoteerde NV en in de BV het meervoudig stemrecht wordt toegelaten.

Coöperatieve vennootschap (CV) = vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en zonder kapitaal maar voor een beperkte groep ondernemingen

  • voorbehouden voor vennootschappen die een onderneming voeren op basis van het coöperatief gedachtegoed. Naar analogie met de Europese coöperatieve vennootschap (SCE);
  • de ‘oneigenlijke’ coöperatieven moeten niet langer deze vorm aannemen en zullen BV’s kunnen worden;
  • een CV kan erkend worden overeenkomstig het KB van 8 januari 1962. Ook een erkenning als landbouwonderneming of als sociale onderneming is mogelijk.

Krachtlijn 3: aanpassing aan Europese evoluties

Europa kent 2 systemen voor de ‘nationaliteit’ van een vennootschap. Die ‘nationaliteit’ bepaalt welk vennootschapsrecht op haar van toepassing is.
Volgens de zgn. statutaire zetelleer kan worden aangeknoopt aan het recht van de staat waar de vennootschap haar statutaire zetel heeft; volgens de zgn. werkelijke zetelleer is het toepasselijke recht, het recht van de staat waar haar werkelijke zetel is gelegen.

België heeft in het verleden gekozen voor de werkelijke zetel, andere landen voor de statutaire zetel (of het Angelsaksische systeem van de incorporatie). Om de rechtszekerheid te bevorderen en om tegemoet te komen aan de economische en juridische realiteit, kiest België in het nieuwe wetboek voor de statutaire zetelleer.
Het wetsontwerp regelt de grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel van vennootschappen.

Vanaf wanneer?

Het wetsontwerp voorziet in ruime overgangstermijnen waarbinnen de bestaande vennootschappen en verenigingen zich aan het nieuwe recht kunnen aanpassen.
De finale goedkeuring van het wetsontwerp door het parlement wordt verwacht in de herfst van 2018.
De wet zou in werking treden in de loop van 2019 (10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad voor nieuwe vennootschappen en verenigingen).
Voor bestaande vennootschappen en verenigingen zou het nieuwe wetboek van toepassing worden op 1 januari 2020. Zij zouden tijd krijgen tot 1 januari 2024 om hun statuten in overeenstemming te brengen met het nieuwe wetboek.

Read more

Over & out voor het begrip handelaar

Een wet van 15 april 2018 zet een omvangrijke hervorming van ons ondernemingsrecht om in de praktijk. Het begrip handelaar wordt afgeschaft. In de plaats daarvan wordt er een nieuwe ondernemingsdefinitie ingevoerd. Het bewijsrecht verhuist naar het Burgerlijk Wetboek. De wijzigingen treden in principe op 1 november 2018 in werking.

Nieuw ondernemingsbegrip een feit

Schrap de notie handelaar uit uw geheugen. De noties handelaar en koophandel verwijzen naar vorige eeuw. Het begrip is verouderd en komt in conflict met de huidige economische realiteit. Na meer dan 200 jaar maakt het begrip plaats voor een modern ondernemingsbegrip. Het nieuwe begrip onderneming vervangt dus het begrip “handelaar”, “koopman”, “handelsvennootschap” en verwante begrippen. En de nieuwe definitie is ruim. Met ondernemingen worden bedoeld:

  • natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen (dus ook de beoefenaars van een vrij beroep);
  • Ook vzw’s en stichtingen, zelfs als ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Publiekrechtelijke rechtspersonen ook tenzij ze geen goederen of diensten aanbieden op een markt. Maar niet de federale staat en zijn gedecentraliseerde entiteiten;
  • andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een uitkeringsoogmerk hebben en uitkeringen doen aan hun leden of personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: de zgn. ‘feitelijke verenigingen’ vallen buiten het ondernemingsbegrip terwijl de maatschappen en de andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid wel onder het ondernemingsbegrip vallen.

Het gebruik van het materieel criterium (economisch doel nastreven) maakt met andere woorden plaats voor een definitie met formele criteria.

Gevolgen voor het bewijsrecht: ja

Deze wijziging heeft uiteraard gevolgen voor het bewijsrecht.
Het handelsbewijsrecht dat we nu terugvinden in het Wetboek van koophandel -dat dateert uit 1808!- wordt hervormd tot het ondernemingsbewijsrecht. De ondernemingsbewijsregels worden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Ze gelden voor alle ondernemingen die onder het nieuwe ondernemingsbegrip vallen. Het zal dus ook gelden tussen en tegen vrije beroepers, vzw’s, stichtingen, enz.
De rechtbank van koophandel heet voortaan trouwens de ondernemingsrechtbank.

Gevolgen voor de bewijsvrijheid: neen

Inhoudelijk noteren we in feite geen wijzigingen aan het bewijsrecht.
Tussen of tegen ondernemingen kan het bewijs geleverd worden door alle middelen van recht, behoudens wettelijke uitzonderingen.
Die bewijsvrijheid geldt wel alleen voor handelingen gesteld door een onderneming. Zij geldt dus niet voor ondernemingen die een bewijs willen leveren tegen een partij die geen onderneming is. Deze laatste kan dan wel weer alle middelen van recht gebruiken.

Rechtshandelingen van natuurlijke personen die een onderneming voeren, maar die vreemd zijn aan de onderneming, blijven onderworpen aan de bewijsregels die gelden in burgerlijke zaken. Dit betekent dat zelfstandige natuurlijke personen die onderneming zijn, inclusief vrije beroepen en landbouwers, enkel in het kader van die zelfstandige activiteit, maar niet in het kader van huwelijksproblemen, voor de ondernemingsrechtbank moeten verschijnen.

Boekhouding als bewijs

De boekhouding van een onderneming kan als bewijs dienen tussen ondernemingen. De vereiste dat het dan moet gaan over een ‘regelmatig’ gehouden boekhouding wordt geschrapt. Ondanks die schrapping zal het regelmatig karakter van de boekhouding een rol blijven spelen als de rechter de bewijswaarde ervan beoordeelt.

De rechter kan in de loop van een geding de openlegging van de boekhouding (geheel of gedeeltelijk) bevelen. Hij kan dat ambtshalve doen of op vraag van een partij. Hij kan hierbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de stukken te waarborgen. Beperkingen aan de mogelijkheden van de rechter zijn niet langer voorzien.

De boekhouding is geen bewijs tegen personen die geen onderneming zijn, behalve de bepalingen inzake de eed.

Factuur als bewijs

De bewijswaarde van de factuur is uitgebreid tot alle soorten overeenkomsten en niet langer beperkt tot koop-verkoopovereenkomsten.
Een factuur die door een onderneming is aanvaard, levert bewijs op tegen die onderneming.

Vanaf november 2018

De hiervoor opgesomde maatregelen treden in principe in werking op 1 november 2018.
Een koninklijk besluit kan een vroegere datum vastleggen.

Read more

Minimumbezoldiging bedrijfsleiders

Een vennootschap moet minstens 45.000 euro loon betalen aan één van haar bedrijfsleiders om van het verlaagd tarief van 20 % te kunnen genieten. Als ze dat niet doet, is het standaardtarief van toepassing. Daar komt dan nog bij dat ze ook een afzonderlijke aanslag moet betalen. Deze regels gelden voor boekjaren die beginnen vanaf 1 januari 2018.

Welk verlaagd tarief?

Kleine vennootschappen betalen 20 % belasting op de eerste 100.000 euro winst.

Waarom minimumloon betalen?

De regering strijdt tegen “vervennootschappelijking”. De regering wil met andere woorden voorkomen dat ondernemers enkel om fiscale redenen een vennootschap oprichten. Terwijl het economisch logischer is als eenmanszaak te werken.

Hoeveel is het minimum?

Minstens één van de bedrijfsleiders krijgt een bezoldiging van 45.000 euro. Als het belastbaar inkomen lager is dan 45.000 euro, betaalt de vennootschap minstens een loon dat gelijk is aan de behaalde winst. Met belastbaar inkomen wordt hier bedoeld: het resultaat na het uitbetalen van het loon.

Voorbeeld

Een bvba heeft na aftrek van de bezoldiging aan de zaakvoerder van 15.000 euro, een belastbaar resultaat van 40.000 euro. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt dus 55.000 euro. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus 55.000/2 = 27.500 euro. De vennootschap heeft een te laag loon betaald.

Een bvba heeft na aftrek van de bezoldiging aan de zaakvoerder van 25.000 euro, een belastbaar resultaat van 25.000 euro. Het belastbaar resultaat, verhoogd met de bezoldiging, bedraagt dus 50.000 euro. De minimaal vereiste bezoldiging bedraagt dus 50.000/2 = 25.000 euro. De vennootschap heeft voldoende betaald, nl. de helft van de winst.

Wat is allemaal loon?

Alle fiscale bezoldigingen tellen mee:

  • Het loon zelf.
  • Voordelen van alle aard.
  • Geherkwalificeerde huurvergoedingen (huur door de vennootschap betaald aan de bedrijfsleider, dat onder bepaalde omstandigheden deels als loon wordt beschouwd).

Voor alle bedrijfsleiders?

De bedrijfsleider met het loon moet een natuurlijk persoon zijn.

Een afzonderlijke aanslag

De voorwaarde bestond vroeger al (drempel bedroeg vroeger 36.000 euro) om van het verlaagd opklimmend tarief te kunnen genieten. Nieuw is de afzonderlijke aanslag. Vennootschappen die geen minimumbezoldiging betalen, moeten een extra belasting betalen.

De basis van de afzonderlijke aanslag is het positieve verschil tussen de wettelijke minimumbezoldiging en de hoogste effectieve bezoldiging. Het tarief van de afzonderlijke aanslag bedraagt 5 %. Hierop is de aanvullende crisisbijdrage van toepassing, zodat het uiteindelijke tarief 5,1 % bedraagt. Vanaf aanslagjaar 2021 wordt dat 10 %.

Voorbeeld

Een bvba betaalt een bezoldiging van 35.000 euro in plaats van 45.000 euro. Op het verschil van 10.000 euro moet de bvba 5,1 % belasting betalen. De afzonderlijke aanslag bedraagt dan 510 euro.

De afzonderlijk aanslag is wel een aftrekbare beroepskost.

Kleine vennootschappen moeten in de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting (starters) geen afzonderlijke aanslag betalen.

Andere drempel voor verbonden vennootschappen

Voor verbonden vennootschappen geldt een aparte drempel. Minstens de helft van hun bedrijfsleiders moeten dezelfde personen zijn. Voor deze vennootschappen worden de bezoldigingen die de bedrijfsleider krijgt van de verschillende vennootschappen, samengeteld. De (totale) minimumbezoldiging wordt dan 75.000 euro.

Read more

Voorafbetalen in 2018

Ondernemingen die onvoldoende voorafbetalingen doen, worden daarvoor bestraft. Ze moeten een belastingvermeerdering betalen. Vanaf dit jaar, wil de regering voorafbetalen nog meer aanmoedigen. Het vermeerderingspercentage bedraagt vanaf nu in de vennootschapsbelasting minstens 6,75 %.

Moet u voorafbetalen?

U moet voorafbetalen als u winsten of baten behaalt. Dat wil zeggen dat ondernemers, vrije beroepers en alle vormen van vennootschappen voorafbetalingen moeten doen.

Wanneer moet u voorafbetalen in 2018?

Als u uw boekjaar afsluit op 31 december 2018, moet u ten laatste voorafbetalen op:

  • voorafbetaling 1: 10 april 2018
  • voorafbetaling 2: 10 juli 2018
  • voorafbetaling 3: 10 oktober 2018
  • voorafbetaling 4 : 20 december 2018.

Vermeerderingspercentage stijgt

Het vermeerderingspercentage is gelijk aan 2,25 keer de basisrentevoet. De basisrentevoet is de interestvoet van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het belastbare tijdperk. De minimale basis is vanaf dit jaar 3 %. Dat betekent dat het vermeerderingspercentage nu minstens 6,75 % bedraagt in de vennootschapsbelasting. In de personenbelasting blijft het percentage 2,25 %.

Hoe werkt het in de praktijk?

Stel dat uw onderneming 100.000 euro belasting verschuldigd is over de winsten die u maakt in 2018 (dat is aanslagjaar 2019). Als u geen voorafbetalingen doet, bent u de maximale vermeerdering verschuldigd => 100.000 euro x 6,75 % = 6.750 euro.
Door voorafbetalingen te doen, kan u deze potentiële vermeerdering wegwerken. Iedere voorafbetaling doet het bedrag van de vermeerdering afnemen. De eerste voorafbetaling levert het meeste op.

Voorbeeld

  • VA 1: 27.000 x 9,00 % = 2.430 euro
  • VA 2: 43.000 x 7,50 % = 3.225 euro
  • VA 3: 30.000 x 6,00 % = 1.800 euro
  • VA 4: 0 x 4,50 % = 0 euro
  • Totaal = 7.455 euro

Hiermee heeft u de vermeerdering van 6.750 euro volledig weggewerkt en zelfs meer voorafbetalingen gedaan dan nodig.

Read more

Voordelen van alle aard pc, tablet en smartphone: nieuwe bedragen vanaf 2018

Wie van zijn werkgever gratis een pc, laptop, tablet of smartphone krijgt, krijgt een voordeel van alle aard. Dat is uiteraard belastbaar. De waarde van dit voordeel wordt forfaitair vastgesteld. Vanaf 1 januari 2018 worden de forfaits aangepast om ze beter in overeenstemming te brengen met de werkelijke waarde van deze toestellen.

Aanpassing aan de werkelijkheid

De huidige forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor het gratis persoonlijk gebruik van pc, laptop, tablet, smartphone en internet was dringend aan een update toe. De afgelopen jaren zijn de prijzen voor laptops en pc’s stelselmatig gezakt, de vrij hoge forfaits waren daardoor niet meer realistisch. De forfaits worden nu verlaagd, zodat ze beter aansluiten op de werkelijke waarde van de toestellen. De forfaits zullen vanaf 1 januari 2018 dan ook aanzienlijk lager zijn (het forfait zakt van 180 EUR naar 72 EUR).

Tegelijkertijd wordt er nu voor het eerst ook fiscaal een forfait ingevoerd voor het belastbaar voordeel voor een tablet of smartphone. De RSZ hanteerde al langer forfaits. Nu heeft de fiscus ook eindelijk een forfaitaire waardering van het voordeel vastgesteld. Het voordeel wordt gewaardeerd op de helft van dat van een volwaardige pc of laptop en bedraagt daarom 36 EUR.

De werkgever moet het belastbaar bedrag van het voordeel van alle aard vermelden op de individuele fiche 281.10 van de werknemer, of fiche 281.20 als het voordeel wordt toegekend aan een bedrijfsleider. Daarnaast moet de werkgever ook bedrijfsvoorheffing inhouden op het voordeel, net zoals op de andere bestanddelen van het loon.

De forfaits

Voor voordelen gekregen vanaf 1 januari 2018:

  • vaste PC of laptop: 72 EUR
  • tablet of smartphone: 36 EUR
  • kosteloos ter beschikking gestelde internetaansluiting, ongeacht of het vaste aansluiting is of een mobiele en ongeacht het aantal toestellen dat gebruik kan maken van die internetaansluiting: 60 EUR
  • kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement: 48 EUR

De forfaits gelden per toestel.

Wie meerdere van deze voordelen krijgt, moet de forfaits optellen. Wie een laptop met internetverbinding krijgt, heeft dus een voordeel van 132 EUR.

Momenteel gelden voor de RSZ nog andere bedragen. Maar deze zullen volgens de minister van Financiën worden afgestemd op de fiscale forfaits.

Read more

Autokosten vanaf 2018

De aftrekbaarheid van autokosten wordt vanaf volgend jaar aangepakt. In twee fases worden er verschillende wijzigingen doorgevoerd. De eerste fase is al voor 2018, waarin het aftrekregime in de personenbelasting gelijkgesteld wordt met die in de vennootschapsbelasting. In de tweede fase (vanaf 2020) worden de regels grondig hervormd.

2018: regels aftrekbaarheid PB = VenB

Vanaf 2018 worden de regels voor de aftrekbaarheid van autokosten van de vennootschapsbelasting doorgetrokken naar de personenbelasting. Ondernemers met een eenmanszaak zullen dus dezelfde kosten in aftrek kunnen brengen als ondernemers met een vennootschap. Dat betekent dat het algemene aftrekpercentage van 75 % plaats maakt voor een aftrekpercentage in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig.

Dat komt neer op:

  • 120 % voor een elektrische auto
  • 100 % voor een auto met een uitstoot van ten hoogste 60 g/km (benzine en diesel)
  • 90 % voor een auto met een uitstoot van 60 tot 105 (benzine en diesel)
  • 80 % voor een auto met uitstoot van 105 tot 115 (diesel) of 105 tot 125 (benzine)
  • 75 % voor een auto met uitstoot van 115 tot 145 (diesel) of 125 tot 155 (benzine)
  • 70 % voor een auto met uitstoot van 145 tot 170 (diesel) of 155 tot 180 (benzine)
  • 60 % voor een auto met uitstoot van 170 tot 195 (diesel) of 180 tot 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto met uitstoot van meer dan 195 (diesel) of meer dan 205 (benzine)
  • 50 % voor een auto waarvoor geen gegevens beschikbaar zijn.

In 2017 een auto gekocht? U kan de overgangsregeling toepassen

Wie vóór 1 januari 2018 een auto kocht, kan gebruik maken van een overgangsregeling. Die komt er op neer dat de meest gunstige regeling mag worden toegepast. U zal (als zelfstandige) dus steeds recht hebben op een aftrek van minstens 75 % (bv. als u een benzinewagen met een uitstoot van 200 g/km heeft). Als de nieuwe regeling voordeliger is, kan u die al gebruiken (bv. als u een dieselwagen met een uitstoot van 80 g/km heeft, heeft u recht op een aftrek van 90 % van de kosten).

Vanaf 2020: aftrek vermindert in PB en VenB

Vanaf 2020 komt er een volledig nieuwe aanpak. De ‘schijven’ (zoals hierboven) worden geschrapt. De aftrekbaarheid zal vanaf dan met een formule worden berekend:

120 % – (0,5 % × coëfficiënt volgens brandstoftype × CO2-uitstoot)

De coëfficiënt bedraagt 1 voor auto’s met dieselmotor, 0,95 voor benzinewagens en 0,90 voor auto’s op aardgas (tot 11 fiscale pk). Het resultaat van de bewerking wordt beperkt tot 100 % en bedraagt minimaal 50 %. Voor auto’s met een uitstoot boven 200 g is de aftrek echter beperkt tot 40 %. Het tarief van 120 % verdwijnt.

Voor auto’s die vóór 2018 werden gekocht blijft dezelfde overgangsregeling bestaan, maar enkel in de personenbelasting. Concreet betekent dit dat zelfstandigen het aftrekpercentage van 75 % verder kunnen toepassen (als dat voordeliger is dan de regeling vanaf 2020).
Een andere belangrijke wijziging is dat er voor brandstofkosten vanaf 2020 geen aparte aftrekregels meer gelden. Tot dan geldt een algemeen forfait van 75 %. Vanaf 2020 wordt ook voor brandstofkosten de aftrekbaarheid volgens de formule berekend.

Read more

Een nieuw wetboek van vennootschappen: krachtlijnen van het voorstel

e staan aan de vooravond van een ingrijpende modernisering van het Belgisch vennootschapsrecht. De krachtlijnen van deze hervorming beogen een doorgedreven vereenvoudiging en een beperking van het aantal vennootschapsvormen. De hervorming zou al snel in werking treden met een vrij lange overgangsperiode.

Wetboek van vennootschappen wordt Wetboek van vennootschappen en verenigingen

De laatste fundamentele hervorming in het vennootschapsrecht dateert van de invoering van het Wetboek van vennootschappen of W.Venn. (wet van 7 mei 1999) en het koninklijk besluit van 30 januari 2001. Sindsdien is het wetboek meer dan 50 keer al dan niet ingrijpend gewijzigd, waarvan ongeveer 25% wijzigingen op grond van Europese voorschriften. Nu is het tijd voor een grondige modernisering om Belgische ondernemers een goed vennootschapsrecht aan te bieden dat hun onderneming ondersteunt en om buitenlandse ondernemers warm te maken voor een breder gebruik van de Belgische rechtsvormen.

Het voorstel van minister van Justitie Koen Geens over het voorontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, en houdende diverse bepalingen is op 27 juli 2017 door de ministerraad goedgekeurd. De bedoeling is dat het nieuwe wetboek in 2019 van kracht wordt. Voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen zal een overgangsperiode van 10 jaar worden voorzien om zich aan de nieuwe regels aan te passen.

Naar 4 vennootschapsvormen

Het is de bedoeling om de bestaande structuren tot 4 vennootschapsvormen te herleiden: de maatschap, de bvba, de cvba en de nv. Daarbij zou de nv de natuurlijke rechtsvorm worden voor de genoteerde en voor de grote onderneming, terwijl middelgrote en kleine ondernemingen voor de bvba moeten kiezen.

Alle andere bestaande vormen kunnen juridisch worden teruggebracht tot deze 4 vormen. De vennootschap met sociaal oogmerk (VSO) kan haar doel (herinvestering van alle winsten) realiseren via een coöperatieve vennootschap (cvba). De landbouwvennootschap wordt omgezet in een commanditaire vennootschap (de maatschap).

De coöperatieve vennootschap blijft bestaan maar zal zich meer focussen op haar oorspronkelijke taak: de realisatie van haar gedachtengoed door personen die tegelijk vennoot en klant zijn (bv. een verbruikscoöperatieve) of leverancier (bv. een zuivelcoöperatieve).

Naast deze 4 vormen van vennootschap blijft de vzw voor verenigingen en ledenloze stichtingen bestaan. Zij worden ook als een onderneming beschouwd en mogen blijven werken voor zover ze geen winst aan hun leden of bestuurders uitkeren. Het verenigingsrecht wordt structureel geïntegreerd in één Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

De Europese vormen (IESV, SE en SCE) blijven behouden.

Flexibilisering van de bvba

Eén van de opvallendste wijzigingen is de afschaffing van de kapitaal- en kapitaalbeschermingsregels in de bvba. Het toereikend eigen vermogen wordt de regel. Men zal zelf kunnen beslissen hoeveel maatschappelijk kapitaal wordt ingebracht. Via strengere regels inzake aansprakelijkheidssancties voor bestuurders, financieel plan, enz. wordt de solvabiliteit en de liquiditeit gecontroleerd.
Door de afschaffing van het kapitaal zal wel een aantal beperkte, eerder technische ingrepen nodig zijn aan de boekhoudreglementering en de fiscaliteit.
Een bv (en cv) heeft in principe 1 bestuurder maar het bestuursorgaan kan ook uit meerdere bestuurders bestaan (ev. als college).

Tot slot. Van de hervorming wordt gebruik gemaakt om het bekendmakingssysteem voor
vennootschapsdocumentatie te vereenvoudigen en te moderniseren. Dit zou worden verwezenlijkt via een unieke overheidswebsite en door duidelijkere en soepelere taalvereisten.

Read more

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

In een eerdere bijdrage brachten we heuglijk nieuws: het tarief in de vennootschapsbelasting zal de komende jaren dalen, tot 25 % in 2020 en voor kmo’s tot 20 % op de eerste 100.000 EUR winst. Er is ook minder goed nieuws: de regering wil dat deze verlaging budgetneutraal verloopt. Daarom wordt de verlaging gecompenseerd met enkele andere nieuwe maatregelen zoals het afschaffen of beperken van enkele bestaande aftrekken.

‘Minimumbelasting’ op winst boven een miljoen euro

Winsten boven de 1.000.000 EUR kunnen niet langer volledig geneutraliseerd worden door allerlei fiscale aftrekken. De winst die de drempel van 1.000.000 EUR overschrijdt, kan maar voor 70 % verminderd worden door de volgende aftrekken:

  • vorige verliezen
  • overgedragen dbi
  • overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten
  • overgedragen NIA
  • de gewijzigde notionele interestaftrek

Dat betekent dat 30 % van de winst boven de 1.000.000 EUR sowieso belast zal worden. Die 30 % wordt daardoor in feite een minimum belastbare basis.

Voorbeeld
De nv CONSTRUCT heeft een winst van anderhalf miljoen EUR. De drempel wordt dus met 500.000 EUR overschreden. Van die 500.000 EUR kan er 70 % met de aftrekken verminderd worden. De andere 30 % (= 150.000 EUR) kan er niet door worden verminderd. Daardoor is er sowieso belasting verschuldigd op 150.000 EUR. In 2018 is dat 29,58 % (29 % + 2 % crisisbijdrage) = 44.370 EUR.

Het bedrag aan aftrekken dat door de maatregel beperkt is, zou wel kunnen worden overgedragen naar volgende jaren.

Notionele interestaftrek blijft, maar wordt aangepakt

In de wandelgangen werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek (NIA) zou gaan verdwijnen. In het zomerakkoord kondigde de regering aan dat dit niet het geval is. Wel wordt de NIA aangepakt. De aftrek zal op een nieuwe basis berekend worden: het gewogen gemiddelde van de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar.

Vrijstelling meerwaarden aandelen: naleven participatievoorwaarde

Vennootschappen zullen enkel nog van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen kunnen genieten als de participatievoorwaarde is vervuld. Deze voorwaarde houdt in dat de vennootschap een deelneming moet bezitten van minstens 10 % in het kapitaal van de vennootschap of met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR. Dezelfde voorwaarde vind je terug in het dbi-stelsel.
Het tarief van 0,4 % (0,412 % met ACB of aanvullende crisisbijdrage) op meerwaarde op aandelen die grote vennootschappen sowieso verschuldigd zijn, wordt afgeschaft.

Kapitaalvermindering: roerende voorheffing verschuldigd

Kapitaalverminderingen zullen aan de roerende voorheffing worden onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geschrapt die toeliet een kapitaalvermindering bij voorrang aan te rekenen op gestort kapitaal. Daardoor zal de vennootschap bij een kapitaalvermindering 30 % roerende voorheffing moeten inhouden op een deel van het terugbetaalde kapitaal.

Indienen van de aangifte

Vennootschappen die geen aangifte indienen, zullen vanaf 2018 sowieso worden belast op een forfaitaire minimumwinst van 40.000 EUR.

Gebrek aan voorafbetalingen wordt duurder

De basisrentevoet van de voorafbetalingen wordt tot 3 % verhoogd. Het wordt dus duurder voor vennootschappen als ze geen of onvoldoende voorafbetalingen doen.

Al deze nieuwe regels werden door de regering aangekondigd in het zomerakkoord. Ze moeten nu nog in concrete wetteksten worden vertaald. We houden u op de hoogte wanneer de volgende stappen worden genomen en welke acties u dan moet ondernemen.

 

 

Read more

Vennootschapsbelasting: compenserende maatregelen voor verlaagd tarief

In een eerdere bijdrage brachten we heuglijk nieuws: het tarief in de vennootschapsbelasting zal de komende jaren dalen, tot 25 % in 2020 en voor kmo’s tot 20 % op de eerste 100.000 EUR winst. Er is ook minder goed nieuws: de regering wil dat deze verlaging budgetneutraal verloopt. Daarom wordt de verlaging gecompenseerd met enkele andere nieuwe maatregelen zoals het afschaffen of beperken van enkele bestaande aftrekken.

‘Minimumbelasting’ op winst boven een miljoen euro

Winsten boven de 1.000.000 EUR kunnen niet langer volledig geneutraliseerd worden door allerlei fiscale aftrekken. De winst die de drempel van 1.000.000 EUR overschrijdt, kan maar voor 70 % verminderd worden door de volgende aftrekken:

  • vorige verliezen
  • overgedragen dbi
  • overgedragen aftrek voor innovatie-inkomsten
  • overgedragen NIA
  • de gewijzigde notionele interestaftrek

Dat betekent dat 30 % van de winst boven de 1.000.000 EUR sowieso belast zal worden. Die 30 % wordt daardoor in feite een minimum belastbare basis.

Voorbeeld
De nv CONSTRUCT heeft een winst van anderhalf miljoen EUR. De drempel wordt dus met 500.000 EUR overschreden. Van die 500.000 EUR kan er 70 % met de aftrekken verminderd worden. De andere 30 % (= 150.000 EUR) kan er niet door worden verminderd. Daardoor is er sowieso belasting verschuldigd op 150.000 EUR. In 2018 is dat 29,58 % (29 % + 2 % crisisbijdrage) = 44.370 EUR.

Het bedrag aan aftrekken dat door de maatregel beperkt is, zou wel kunnen worden overgedragen naar volgende jaren.

Notionele interestaftrek blijft, maar wordt aangepakt

In de wandelgangen werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek (NIA) zou gaan verdwijnen. In het zomerakkoord kondigde de regering aan dat dit niet het geval is. Wel wordt de NIA aangepakt. De aftrek zal op een nieuwe basis berekend worden: het gewogen gemiddelde van de aangroei van het risicokapitaal van de laatste vijf jaar.

Vrijstelling meerwaarden aandelen: naleven participatievoorwaarde

Vennootschappen zullen enkel nog van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen kunnen genieten als de participatievoorwaarde is vervuld. Deze voorwaarde houdt in dat de vennootschap een deelneming moet bezitten van minstens 10 % in het kapitaal van de vennootschap of met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 miljoen EUR. Dezelfde voorwaarde vind je terug in het dbi-stelsel.
Het tarief van 0,4 % (0,412 % met ACB of aanvullende crisisbijdrage) op meerwaarde op aandelen die grote vennootschappen sowieso verschuldigd zijn, wordt afgeschaft.

Kapitaalvermindering: roerende voorheffing verschuldigd

Kapitaalverminderingen zullen aan de roerende voorheffing worden onderworpen in verhouding van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves. Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geschrapt die toeliet een kapitaalvermindering bij voorrang aan te rekenen op gestort kapitaal. Daardoor zal de vennootschap bij een kapitaalvermindering 30 % roerende voorheffing moeten inhouden op een deel van het terugbetaalde kapitaal.

Indienen van de aangifte

Vennootschappen die geen aangifte indienen, zullen vanaf 2018 sowieso worden belast op een forfaitaire minimumwinst van 40.000 EUR.

Gebrek aan voorafbetalingen wordt duurder

De basisrentevoet van de voorafbetalingen wordt tot 3 % verhoogd. Het wordt dus duurder voor vennootschappen als ze geen of onvoldoende voorafbetalingen doen.

Al deze nieuwe regels werden door de regering aangekondigd in het zomerakkoord. Ze moeten nu nog in concrete wetteksten worden vertaald. We houden u op de hoogte wanneer de volgende stappen worden genomen en welke acties u dan moet ondernemen.

Read more

Verlaging van de vennootschapsbelasting en andere fiscale maatregelen uit het begrotingsakkoord

In het begrotingsakkoord dat deze zomer door de regering werd voorgesteld, zaten traditiegetrouw weer heel wat fiscale maatregelen. Een kort overzicht.

Hervorming vennootschapsbelasting

Meest in het oog springend is de drastische verlaging van het tarief. Dat bedraagt nu nog 33 % (33,99 % met crisisbijdrage) maar wordt in twee fases verlaagd: tot 29 % in 2018 en 25 % in 2020. Ook de algemene crisisbijdrage die nu nog 3 % bedraagt, wordt afgebouwd tot 2 % in 2018 om uiteindelijk te verdwijnen in 2020. Daardoor wordt het uiteindelijke tarief 29,58 % in 2018 en 25 % in 2020.

Kmo’s kunnen al vanaf 2018 genieten van een verlaagd tarief van 20 % op de eerste 100.000 EUR van hun winst. Daar komt bij dat de groep vennootschappen die als kmo kan worden beschouwd, groter zal worden:  het tarief zal niet enkel van toepassing zijn voor vennootschappen die beantwoorden aan de criteria van artikel 215 van het WIB92, ook ‘kleine vennootschappen’ in vennootschapsrechtelijke zin zullen in aanmerking komen voor dit tarief.

Toch moeten we dit goede nieuws een beetje temperen: de hervorming zal budgetneutraal moeten verlopen. Dit betekent dat de mindere inkomsten door het verlaagd tarief, op een of andere manier gecompenseerd zullen worden.  Enkele bestaande aftrekken zal dus sneuvelen of verminderen. Zo zal onder andere de investeringsreserve verdwijnen, met een overgangsregime voor de bestaande reserves. De notionele interestaftrek blijft wel bestaan.

Sparen

Er wordt ook gesleuteld aan de vrijstelling op de eerste schijf van rente op spaarboekjes. De vrijgestelde schijf daalt van 1.880 EUR naar 940 EUR. In ruil daarvoor komt er een vrijstelling voor een eerste schijf van 627 EUR op dividenden van aandelen.

Ook het pensioensparen wordt aangepakt. Belastingplichtigen zullen kunnen kiezen om maximaal 940 EUR te sparen aan een belastingvermindering van 30 % (zoals tot nu toe kon) of meer te sparen (tot 1.200 EUR) aan een lagere belastingvermindering van 25 %.

Effectenrekening

Ook de belasting op effectenrekeningen komt er. Deze ‘abonnementstaks’ zal 0,15 % bedragen en is verschuldigd door wie meer dan  500.000 EUR op een dergelijke rekening heeft staan.

Uitbreiding tax shelter voor starters

De regering wil ook investeringen in risicodragend kapitaal verder blijven aanmoedigen. Daarom wordt de tax shelter (eigenlijk een belastingvermindering) voor wie investeert in startende ondernemingen ook uitgebreid naar wie investeert in groeibedrijven. Het gaat om investeringen waarvoor de investeerder aandelen in ruil krijgt.

Strijd tegen fraude

In de strijd tegen belastingfraude, wordt de kaaimantaks verstrekt en de efficiëntie ervan verbeterd, door o.a. dubbelstructuren aan te pakken en ook feitelijke verenigingen in de maatregel te betrekken.

Flexijobs

Het toepassingsgebied voor flexijobs, tot nu toe enkel voor de horeca, wordt verruimd. Bijklussen via een flexijob zal vanaf nu o.a. ook kunnen in een krantenwinkel, bakkerij of kapsalon. Verder wordt aan de voorwaarden niet gemorreld: de flexijobs blijven dus enkel openstaan voor wie al minstens 4/5 werkt.

Daarnaast zal ook belastingvrij bijverdienen (tot 500 EUR per maand) mogelijk worden voor specifieke functies in de non-profitsector. Deze mogelijkheid staat open voor wie al 4/5 werkt of gepensioneerd is.

Read more

Nieuwe administratieve commentaar aanslag geheime commissielonen

Over de aanslag geheime commissielonen is er de laatste jaren al heel wat inkt gevloeid. Volgens de wetgever mag de aanslag nog enkel in uitzonderlijke gevallen opgelegd worden. In een circulaire uit 2015 ging de fiscus toch enigszins in tegen de soepelere houding van de wetgever. In een nieuwe circulaire verduidelijkt de fiscus zijn standpunt en past het aan de visie van de minister aan.

De aanslag geheime commissielonen sinds aanslagjaar 2015

Sinds aanslagjaar 2015 is de aanslag geheime commissielonen veel minder streng. De aanslag heeft volgens de fiscale wetgever geen bestraffend, maar enkel nog een vergoedend karakter. Bovendien mag de aanslag enkel nog in uitzonderlijke gevallen worden opgelegd.

Deze filosofie wordt vertaald in de regel dat er geen bijzondere aanslag wordt opgelegd…

  • als het inkomen wordt opgenomen in een tijdige aangifte door de genieter. Dat mag zowel een Belgische als een buitenlandse aangifte zijn;
  • als de genieter binnen twee jaar en zes maanden volgend op 1 januari van het betreffende aanslagjaar op ondubbelzinnige wijze kan worden geïdentificeerd.

Tegelijkertijd werden de tarieven grondig verminderd. De ‘monsterboete’ verminderde van 309 % naar 103 % (betalingen aan natuurlijke personen waarvoor geen fiches werden opgemaakt) of 51,50 % (betalingen aan rechtspersonen).

De afzonderlijke aanslag blijft als beroepskost aftrekbaar met uitzondering van in het zwart uitbetaalde lonen.

Administratie volgt versoepeling niet (helemaal)

Kort na de wetswijziging kwam de fiscus al met een circulaire, die de nieuwe soepelere houding grotendeels naast zich neerlegde. Meest opvallend in de circulaire is de interpretatie van de uitzondering van de ondubbelzinnige identificatie. Volgens de fiscus sluit die identificatie de bijzondere aanslag enkel uit bij een uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de genieter van de inkomsten om alsnog belast te worden. Deze voorwaarde staat niet in de wet en wordt door de fiscus onterecht toegevoegd.

Daarnaast schrijft de fiscus dat het tarief van 51,5 % voor betalingen aan rechtspersonen enkel geldt wanneer de vennootschap kan aantonen dat de uiteindelijke verkrijger een rechtspersoon is. Eigenlijk vraagt de administratie hiermee dat de vennootschap bewijst dat de rechtspersoon het ontvangen geheim commissieloon niet verder heeft doorgegeven aan een natuurlijk persoon. Maar ook deze verstrenging staat niet in de wet.

Nieuwe circulaire in 2017: een nieuwe visie?

In april 2017 heeft de fiscus opnieuw een circulaire over dit onderwerp gepubliceerd.

De administratie verwijst daarin nog steeds naar het schriftelijk akkoord van de genieter. Gelukkig wordt er deze keer wel genuanceerd, door het opnemen van het woordje “bijvoorbeeld”. Een ondubbelzinnige identificatie kan “bijvoorbeeld” door een schriftelijk akkoord van de genieter. Dat ene woordje, betekent echter dat een schriftelijk akkoord maar één manier is voor een ondubbelzinnige identificatie. Er bestaan dus ook andere mogelijkheden. Daarmee is het schriftelijk akkoord niet langer absoluut noodzakelijk. De fiscus heeft zo zijn standpunt aangepast aan de visie die de minister van Financiën al eerder had verdedigd in de Kamer.

De circulaire bevestigt dat de aanslag als beroepskost aftrekbaar blijft, maar voegt er wel aan toe dat als er valse of fictieve facturen worden gebruikt om sommen te onttrekken aan de vennootschappen, die niet verantwoorde kosten in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen.

Read more

Voordeel van alle aard van de woning van dag tot dag berekend

De administratie heeft haar regels gewijzigd voor de berekening van de waarde van het voordeel wanneer een werknemer of bedrijfsleider gratis een onroerend goed ter beschikking krijgt, maar slechts voor een gedeelte van het jaar over het goed beschikt. Het bedrag van het voordeel mag dan in verhouding tot het gebruik worden verminderd. Dat wordt vanaf nu niet meer per maand berekend, maar van dag tot dag.

Gratis woning ter beschikking = voordeel van alle aard

Wanneer een werknemer of bedrijfsleider van zijn werkgever/vennootschap een woning ter beschikking krijgt, krijgt hij daarmee een voordeel van alle aard. Dat voordeel is uiteraard belastbaar.

Als de werknemer slechts een deel van het jaar over de woning beschikt

Als de werknemer of bedrijfsleider niet gedurende het hele jaar over de woning kan beschikken, heeft dat uiteraard invloed op de waarde van het voordeel. De waarde van het voordeel wordt aangepast in verhouding tot de tijd dat de betrokkene het goed werkelijk ter beschikking had = pro rata.

Van dag tot dag berekend

In haar circulaire van 19 december 2016 heeft de administratie besloten de pro rata van dag tot dag te berekenen.

Voorbeeld
Jan is zaakvoerder van zijn eigen bvba. Vanaf 4 juni 2017 krijgt hij van zijn vennootschap gratis beschikking over een woning. Het voordeel van alle aard voor deze woning bedraagt 1.500 EUR voor wie er het hele jaar over beschikt. Jan beschikt echter slechts over een gedeelte van 2017 over de woning: van 4 juni tot 31 december = 211 dagen.
Het voordeel voor 2017 wordt dan: 1.500 × 211/365 = 867,12 EUR.
Stel dat Jan pas vanaf 19 juni 2017 over de woning zou kunnen beschikken. Dan heeft hij de woning 196 dagen ter beschikking in 2017 en wordt het voordeel: 1.500 × 196/365 = 805,47 EUR
.

Verschil met vroeger

Tot eind 2016 werd het pro rata berekend in functie van het aantal maanden van het gebruik. Wanneer de belastingplichtige de zestiende van de maand de beschikking had over de woning, werd die maand meegeteld, anders niet.
Als we teruggrijpen naar het voorbeeld, zien we hoe de oude berekeningswijze verschilt van de nieuwe.

Voorbeeld
Als Jan vanaf 4 juni 2017 de woning ter beschikking heeft:  op de zestiende van de maand beschikt hij over de woning dus de maand juni wordt meegeteld. Het voordeel bedraagt 7/12 van 1.500 = 875 EUR.
Als  Jan pas vanaf 19 juni 2017 over de woning zou kunnen beschikken. Dan heeft hij de woning niet ter beschikking op de zestiende van de maand en wordt juni niet meegeteld. Het voordeel bedraagt 6/12 van 1.500 = 750 EUR.

Als de werknemer/bedrijfsleider voor de zestiende van de maand de woning ter beschikking krijgt, doet hij een klein voordeel met de nieuwe berekeningswijze.

Als de werknemer/bedrijfsleider pas na de zestiende van de maand de woning ter beschikking krijgt, doet hij een nadeel met de nieuwe berekeningswijze.

Vanaf wanneer?

De belastingplichtige kan ervoor kiezen de nieuwe berekeningswijze al toe te passen voor de aanslagjaren 2015 tot 2017.

Read more

Nieuwigheden in de aangifte PB voor 2017

Het is weer aangifteseizoen. Ook dit jaar is de aangifte in de personenbelasting weer een pak uitgebreider en complexer geworden. Dat ligt, hoe kan het ook anders, vooral aan de steeds complexer wordende woonfiscaliteit. De wijzigingen in Vlaanderen en Wallonië voor leningen aangegaan vanaf 1 januari 2016 laten zich nu voelen in de aangifte. Met deze bijdrage proberen we u door de aangifte te loodsen.

Woonfiscaliteit

Zowel in het Vlaams Gewest als in het Waals Gewest gelden er nieuwe regels voor leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016:

  • in Vlaanderen werd de geïntegreerde Vlaamse woonbonus ingevoerd;
  • in Wallonië geldt vanaf dit aanslagjaar de cheque habitat.

Deze wijzigingen vinden natuurlijk hun weerslag in de aangifte. Omdat het gaat om gewestelijke maatregelen zijn ze enkel van toepassing voor de ‘eigen woning’, dat is de woning die u zelf betrekt.

Vak IX van de aangifte was al opgedeeld in rubriek B voor de ‘eigen woning’ (voor de gewestelijke ‘woonbonus’) en een rubriek C voor de ‘niet-eigen woning’ (voor het federale belastingvoordeel).

Onder rubriek B vindt u nu de subrubrieken:

  • B1: voor de geïntegreerde Vlaamse woonbonus – leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016
  • B2: voor de Waalse cheque habitat – leningen afgesloten vanaf 1 januari 2016
  • B3: de vroegere gewestelijke woonbonus voor leningen gesloten voor 1 januari 2016 en dit jaar ook nog de Brusselse woonbonus (let op die wordt afgeschaft voor leningen afgesloten vanaf 1 januari 2017)
  • B4: andere interesten dan in B1, B2 of B3, die ook recht geven op een gewestelijke belastingvermindering
  • B5: vermindering voor bouwsparen en langetermijnsparen
  • B6: premies van individuele levensverzekeringen

Voor rubriek C, de federale regeling voor wie een lening heeft lopen voor een niet-eigen woning, verandert er dit jaar niets.

De aangifte van uw lening zelf doen, wordt dus niet makkelijk. Als u vragen heeft, kan u best de hulp van een boekhouder inroepen. Uw bank zal wel de gegevens van uw lening (via een hypotheekattest) automatisch aan de fiscus bezorgen, maar waarschijnlijk zullen de juiste codes toch nog niet vooraf ingevuld worden in Tax-on-web.

Roerende inkomsten

Voor dividenden en interesten toegekend vanaf 1 januari 2017 is het standaardtarief van de roerende voorheffing gestegen tot 30 %. Helaas blijven er nog heel wat uitzonderingen bestaan. Daarmee kan het tarief variëren van 5 % over 10 %, 15 %, en 17 % tot 20 %. Al die verschillende tarieven hebben ook invloed op de aangifte, met name voor de Vakken VII ‘Roerende inkomsten’ en XVI ‘Diverse inkomsten van roerende aard’.

Andere nieuwigheden

Andere nieuwigheden in de aangifte zijn:

  • Overuren in de horeca: vak IV, rubriek A12 – deze codes worden automatisch ingevuld in tax-on-web.
  • SWT (werkloosheid met bedrijfstoeslag) en belastingvrije swt-toeslagen. De belastingvrije toeslagen moeten uiteraard niet worden aangeven, maar om de verschillende soorten toeslagen te identificeren en zo de vermindering correct te berekenen, werden er 10 nieuwe codes toegevoegd in vak IV van de aangifte (rubrieken D1a1 en E2a2). Ook deze codes worden, indien van toepassing, al automatisch ingevuld in de aangifte via tax-on-web.
  • De Vlaamse Winwinlening krijgt een tegenhanger in het Waals Gewest, de Coup de Pouce. Aan te geven in Vak XI.

Deadlines

De deadlines zijn:

  • aangifte op papier: 29 juni 2017;
  • aangifte via Tax-on-web: 13 juli 2017;
  • aangifte via mandataris: 26 oktober 2017.

Read more

Geïndexeerde bedragen personenbelasting aanslagjaar 2018

Hieronder geven wij u een overzicht van de belangrijkste geïndexeerde bedragen in de personenbelasting. In dit overzicht staan enkel de federale bedragen. Belastingverminderingen en dergelijke waarvan het bedrag door de gewesten wordt bepaald (bv. dienstencheques) werden niet opgenomen.

Hieronder de bedragen voor aanslagjaar 2018, dat zijn uw inkomsten van dit jaar (2017). Achter ieder bedrag vindt u tussen haakjes het geïndexeerde bedrag voor aanslagjaar 2017 (dat zijn de bedragen die u in juni nodig heeft voor uw aangifte met uw inkomsten uit 2016).

Belastingvrije som en gezinssituatie

Belastingvrije som en verhoogde belastingvrije som

Belastingvrije som: 7.270 EUR (7.130 EUR)

Verhoogde belasting vrije som voor personen met beperkt inkomen: 7.570 EUR (7.420 EUR)

Grensbedrag om recht te hebben op hogere belastingvrije som: 27.030 EUR (26.510 EUR)

Verhoging belasting vrije som voor gehandicapte belastingplichtige: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Personen ten laste

Verhoging belastingvrije som voor personen ten laste

  • één kind: 1.550 EUR (1.520 EUR)
  • twee kinderen: 3.980 EUR (3.900 EUR)
  • drie kinderen: 8.920 EUR (8.740 EUR)
  • vier kinderen: 14.420 EUR (14.140 EUR)
  • meer dan vier kinderen (supplement per kind): 5.510 EUR (5.400 EUR)

Bijkomende toeslag voor kinderen onder de drie jaar (waarvoor geen uitgaven voor kinderoppas worden afgetrokken): 580 EUR (570 EUR)

Voor andere personen ten laste die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt: 3.090 EUR (3.030 EUR) (hier moet het gaan om ascendenten (ouders en grootouders) of broer/zus)

Voor iedere andere persoon ten laste: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Verhoging belastingvrije som alleenstaande met kinderen ten laste: 1.550 EUR (1.520 EUR)

Maximumbedrag eigen nettobestaansmiddelen (kind ten laste): 3.200 EUR (3.140 EUR)

Verhoogd bedrag voor kind van alleenstaande: 4.620 EUR (4.530 EUR)

Verhoogd bedrag voor gehandicapt kind van alleenstaande: 5.860 EUR (5.750 EUR)

Onderhoudsgeld dat niet meetelt als bestaansmiddel: 3.200 EUR (3.140 EUR)

Bezoldiging studentenjob die niet meetelt als bestaansmiddel: 2.660 EUR (2.610 EUR)

Huwelijksquotiënt en meewerkende echtgenoot

Huwelijksquotiënt: 10.490 EUR (10.290 EUR)

Maximaal inkomen meewerkende echtgenoot uit eigen beroepsactiviteit: 13.620 EUR (13.360 EUR)

Beroepsinkomsten en roerende inkomsten

Vrijgesteld bedrag PC privé: 860 EUR (840 EUR)
Grensbedrag bruto belastbare bezoldiging om aan ‘plan’ te kunnen deelnemen: 33.820 EUR (33.170 EUR)

Vrijgesteld bedrag van de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling: 390 EUR (380 EUR)

Minimum voordeel van alle aard voor privégebruik bedrijfswagen: 1.280 EUR (1.260 EUR)
Maximumbedrag auteursrechten die als roerende inkomsten worden aangemerkt: 58.720 EUR (57.790 EUR)

Maximumbedrag forfaitaire beroepskosten

Werknemers: 4.320 EUR (4.240 EUR)

Zelfstandigen en meewerkende echtgenote: 4.060 EUR (3.980 EUR)

Bedrijfsleiders: 2.440 EUR (2.390 EUR)

Belastingschijven

  • 25 % op de schijf tot 11.070 EUR (10.860 EUR)
  • 30 % op de schijf tot 12.720 EUR (12.470 EUR)
  • 40 % op de schijf tot 21.190 EUR (20.780 EUR)
  • 45 % op de schijf tot 38.830 EUR (38.080 EUR)
  • 50 % op de schijf boven 38.830 EUR (38.080 EUR)

Bedragen die dit jaar niet geïndexeerd worden

De bedragen van enkele (vooral) belastingverminderingen worden tot en met dit aanslagjaar niet geïndexeerd. Deze bedragen blijven behouden op het bedrag zoals het gold voor aanslagjaar 2014 (uw inkomsten uit 2013!).

Woonbonus (federaal)

Maximumbedrag kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies (samen): 2.260 EUR

Verhoogd basisbedrag tijdens de eerste tien jaar: 750 EUR

Bijkomende verhoging tijdens eerste tien jaar als drie kinderen ten laste: 80 EUR

Aftrekbare giften

Minimumbedrag: 40 EUR

Sparen

Maximumbedrag pensioensparen: 940 EUR

Vrijgestelde inkomsten uit spaardeposito’s: 1.880 EUR

Maximumbedrag werkgeversaandelen: 750 EUR

Read more

Nieuw sociaal en fiscaal statuut voor de student-ondernemer

Sinds begin dit jaar kunnen studenten die een zelfstandige activiteit uitoefenen, een eigen statuut van student-zelfstandige aanvragen. De student-ondernemer geniet dan van een voordelige bijdrageregeling en van een eigen fiscaal statuut. Met een beperkt inkomen als zelfstandige, blijft de jonge ondernemer ten laste van zijn ouders.

Om het ondernemerschap voor studenten aantrekkelijker te maken, heeft de regering een nieuw sociaal en fiscaal statuut voor de student-zelfstandige ingevoerd.

De student-zelfstandige moet minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar zijn. Hij/zij moet voor het betrokken school- of academiejaar, in hoofdzaak in een Belgische of een buitenlandse onderwijsinstelling zijn ingeschreven en regelmatig lessen volgen in een onderwijsinstelling met het oog op het behalen van een diploma dat door een bevoegde overheid in België wordt erkend. Door de beroepsbezigheid is hij/zij aan het sociaal statuut der zelfstandigen onderworpen. De jonge ondernemer moet de toepassing van de specifieke regeling uitdrukkelijk aanvragen.

De aanvraag tot onderwerping in de hoedanigheid van student-zelfstandige wordt schriftelijk of elektronisch ingediend bij het sociaal verzekeringsfonds waarbij de aanvrager is aangesloten. Zodra het sociaal verzekeringsfonds beschikt over de aanvraag, het attest van inschrijving en de verklaring van de betrokkene, controleert het voor elk school- of academiejaar de voorwaarden van onderwerping.

Nieuwe specifieke bijdrageregeling

Voor studenten die inkomsten hebben die lager zijn dan de drempel voor de zelfstandigen in hoofdberoep, geldt een gunstige regeling van bijdragen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

De studenten-zelfstandigen zijn op het deel van hun inkomen dat niet de helft van het minimuminkomen bedraagt op basis waarvan de zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen betalen (voor 2017: 13.296,25/2 = 6.648,13 euro) geen enkele bijdrage verschuldigd.

Als hun inkomen die helft wel bereikt, maar lager is dan het bedrag van het minimuminkomen (voor 2017: 13.296,25 euro), betalen de studenten-zelfstandigen een verminderde bijdrage van 21% (20,50% in 2018). De bijdrage wordt berekend op het gedeelte van het inkomen dat de helft van dit minimuminkomen overschrijdt.

De student-zelfstandige die een bijdrage is verschuldigd, is enkel onderworpen aan de regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Studenten-zelfstandigen die geen bijdragen betalen, blijven in principe rechthebbenden op geneeskundige verzorging van de ziekte- en invaliditeitsverzekering als persoon ten laste. Maar de tijdvakken waarin wordt bijgedragen als student-zelfstandige tellen wel mee voor het vervullen van de wachttijd in het kader van de uitkerings- en moederschapsverzekering voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.

Zelfde fiscale regeling als voor jobstudenten

Het fiscaal statuut van de student-zelfstandige komt erop neer dat een eerste schijf van zijn inkomsten niet in aanmerking als bestaansmiddel (inkomen) wordt genomen (2.610 euro voor inkomstenjaar 2016). Een vergelijkbare regeling bestaat al voor de inkomsten van jobstudenten (loontrekkenden). Een student die een beperkt inkomen verwerft als zelfstandige, zal zo minder snel niet meer ten laste van zijn ouders zijn.

De bepalingen inzake het fiscaal statuut van de student-zelfstandige zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2018 voor de inkomsten van 2017.

 

Read more

Over bedrijfswagens en tankkaarten: nieuwe regels zullen vennootschappen geld kosten

Vennootschappen die hun personeel een bedrijfswagen ter beschikking stellen, moesten tot vorig jaar 17 % van het bedrag opnemen in hun verworpen uitgaven. Vanaf 2017 zal er 40 % van het bedrag in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen, als de vennootschap de brandstofkosten geheel of gedeeltelijk ten laste neemt, bv. als de werknemer/bedrijfsleider een wagen met tankkaart krijgt. Deze nieuwe regel werd ingevoerd door de programmawet van 25 december 2016.

Bedrijfswagen als voordeel van alle aard

Werknemers en bedrijfsleiders die een bedrijfswagen krijgen, verwerven daarmee een belastbaar voordeel van alle aard. De waarde van dit voordeel wordt berekend volgens een specifieke formule: cataloguswaarde × ouderdomscorrectie × CO2 percentage × 6/7. Als de werknemer er een tankkaart bijkrijgt, verandert dat niets. Het voordeel van de tankkaart zit al begrepen in het voordeel van de wagen in zijn geheel.

Voor de werkgever is er echter een impact: die moet 17 % van het voordeel van alle aard voor de wagen als verworpen uitgaven opnemen.

Vanaf 2017: 40 % voordeel in verworpen uitgaven

Nieuw vanaf 2017 is dat de vennootschap 40 % van het voordeel in de verworpen uitgaven moet opnemen als ze de brandstofkosten (geheel of gedeeltelijk) op zich neemt. Dit kan bijvoorbeeld door de werknemer of bedrijfsleider een tankkaart te geven. Maar ook als de werkgever de brandstofkosten via onkostennota’s terugbetaalt, is dat het geval.

Eigen bijdrage niet in rekening gebracht

Daarnaast komt er nog een ingrijpende wijziging voor alle bedrijfswagens, ongeacht of er een tankkaart bij is inbegrepen.

De 17 % of 40 % van het voordeel dat in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen, zal voortaan berekend worden op de volledige waarde van het voordeel. De eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider kan dus niet meer in mindering worden gebracht.

Voor de werknemers verandert er echter niets.

Read more

Jaarrekening onderneming: neerleggingskosten voor 2017

De meeste vennootschappen met rechtspersoonlijkheid moeten hun jaarrekening neerleggen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België. Het tarief voor het neerleggen van jaarrekeningen wordt bepaald door de gebruikte drager, de begindatum van de jaarrekening, en het model van de jaarrekening. De kosten voor die openbaarmaking worden elk jaar geïndexeerd.

Het tarief voor het neerleggen van jaarrekeningen wordt bepaald door:

  • de gebruikte drager: XBRL, PDF of papier;
  • de begindatum van de jaarrekening.
    Voor een jaarrekening waarvan het boekjaar aanvangt vóór 1 januari 2016 wordt een bijkomende kost aangerekend van 76,35 euro voor de publicatie in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad (BBS). Voor een boekjaar met begindatum vanaf 1 januari 2016 is er geen publicatie meer in de BBS;
  • het model van de jaarrekening: volledig, klein of micro.

Naast de openbaarmakingskosten die aan de Nationale Bank (NBB) zijn verschuldigd, zijn er nog andere elementen die de uiteindelijke neerleggingsprijs mee bepalen. Dat zijn:

  • de bijdrage in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN);
  • de bijdrage in de werkingskosten van het Advies- en Controlecomité op de Onafhankelijkheid van de Commissaris (ACCOC); en
  • 21% btw op de openbaarmakingskosten (vanaf 1 januari 2017 is er geen btw meer verschuldigd op het deel van de neerleggingskosten dat toekomt aan de NBB).

De Balanscentrale van de NBB int het volledige bedrag en stort de deelbedragen daarna door naar de betrokken instanties.

Overzicht tarieven 2017

Ondernemingen betalen sinds 1 januari 2017 volgende tarieven in euro:

Via het internet in de vorm van een gestructureerd databestand (xbrl):

  • volledig model: 289,63 euro
  • verkort model: 68,23 euro
  • micromodel: 51,23 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Via het internet in PDF-formaat:

  • volledig model: 343,23 euro
  • verkort model: 121,83 euro
  • micromodel: 104,83 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Via de post of aan het loket op papier:

  • volledig model: 349,23 euro
  • verkort model: 127,73 euro
  • micromodel: 110,73 euro
  • verbeterde neerlegging: 65,50 euro of 41,70 euro (voor het micromodel)

Het te gebruiken model van de jaarrekening wordt bepaald door groottecriteria en het al of niet beursgenoteerd zijn van de onderneming.
Niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen mogen het verkort model gebruiken; grote ondernemingen en beursgenoteerde kleine ondernemingen moeten het volledig model gebruiken. Microvennootschappen mogen een micromodel gebruiken.
Het tarief voor de neerlegging van een volledig model is ook van toepassing voor de geconsolideerde jaarrekening.

Tarieftoeslag bij niet- of laattijdige neerlegging

Ondernemingen moeten hun jaarrekening neerleggen binnen de zeven maanden na de afsluiting van hun boekjaar en binnen de dertig dagen na goedkeuring door de algemene vergadering. Ondernemingen die hun jaarrekening te laat neerleggen, riskeren onder meer een boete (tarieftoeslag) die kan oplopen tot 1.200 euro (360 euro voor kleine vennootschappen).

Wijze van betalen

Als de jaarrekening via het internet wordt neergelegd (de regel), gebeurt de betaling online met een kredietkaart (Visa of Mastercard) of offline met een overschrijving.
Buitenlandse vennootschappen, Europese Economische samenwerkingsverbanden (EESV’s) naar buitenlands recht en ondernemingen met een omzet van maximum 500.000 euro (excl. btw) mogen hun jaarrekening nog neerleggen op papier. Jaarrekeningen die op papier worden neergelegd, kunnen alleen met een overschrijving worden betaald.

 

Read more

Over bedrijfswagens en tankkaarten: nieuwe regels zullen vennootschappen geld kosten

Vennootschappen die hun personeel een bedrijfswagen ter beschikking stellen, moesten tot vorig jaar 17 % van het bedrag opnemen in hun verworpen uitgaven. Vanaf 2017 zal er 40 % van het bedrag in de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen, als de vennootschap de brandstofkosten geheel of gedeeltelijk ten laste neemt, bv. als de werknemer/bedrijfsleider een wagen met tankkaart krijgt. Deze nieuwe regel werd ingevoerd door de programmawet van 25 december 2016.

Bedrijfswagen als voordeel van alle aard

Werknemers en bedrijfsleiders die een bedrijfswagen krijgen, verwerven daarmee een belastbaar voordeel van alle aard. De waarde van dit voordeel wordt berekend volgens een specifieke formule: cataloguswaarde × ouderdomscorrectie × CO2 percentage × 6/7. Als de werknemer er een tankkaart bijkrijgt, verandert dat niets. Het voordeel van de tankkaart zit al begrepen in het voordeel van de wagen in zijn geheel.

Voor de werkgever is er echter een impact: die moet 17 % van het voordeel van alle aard voor de wagen als verworpen uitgaven opnemen.

Vanaf 2017: 40 % voordeel in verworpen uitgaven

Nieuw vanaf 2017 is dat de vennootschap 40 % van het voordeel in de verworpen uitgaven moet opnemen als ze de brandstofkosten (geheel of gedeeltelijk) op zich neemt. Dit kan bijvoorbeeld door de werknemer of bedrijfsleider een tankkaart te geven. Maar ook als de werkgever de brandstofkosten via onkostennota’s terugbetaalt, is dat het geval.

Eigen bijdrage niet in rekening gebracht

De 17 % of 40 % van het voordeel dat in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen, zal voortaan berekend worden op de volledige waarde van het voordeel. De eigen bijdrage van de werknemer of bedrijfsleider kan dus niet meer in mindering worden gebracht.

Voor de werknemers verandert er echter niets.

Read more

Vernieuwde KMO-portefeuille

De kmo-portefeuille is veruit de meest gebruikte en wijdverspreide subsidie voor kmo’s van de Vlaamse Overheid. Dat maakt verbeteringen aan deze subsidie uiteraard des te nuttiger. Daarom lanceert Agentschap Innoveren & Ondernemen op 1 april 2016 de vernieuwde kmo-portefeuille. 

De drie belangrijkste verbeteringen even op een rijtje:

Eén enkel subsidiebedrag en -percentage dat een kmo in functie van eigen noden kan inzetten voor opleiding en/of advies; 2. Een maximaal steunbedrag afhankelijk van de grootte van het bedrijf; 3. Een eenvoudige subsidieaanvraag en -toekenning via een vernieuwde website, beschikbaar vanaf vandaag.

Meer info? 

Benieuwd? Alle informatie vind je op www.kmo-portefeuille.be.

Read more